Uitspraken | Hoogspanningslijnenbeleid getoetst aan het voorzorgsbeginsel | Op 22 december jl. heeft het Gerechtshof Amsterdam (nevenzittingsplaats Gerechtshof Arnhem) uitspraak gedaan in de zaak die Ritmeester BV heeft aangespannen tegen de Staat, de provincie Utrecht en de gemeente Veenendaal in verband met schade die zij stelt te lijden doordat het hoogspanningslijnenbeleid het niet langer mogelijk maakt voor Ritmeester om haar bedrijfsterrein als woningbouwlocatie te verkopen. De vorderingen van Ritmeester zijn afgewezen.
Het hoogspanningslijnenbeleid houdt kort gezegd in dat bij de vaststelling van nieuwe streek- en bestemmingsplannen en van tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijziging van bestaande plannen of bestaande hoogspanningslijnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk moet worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbij het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (µT). Het beleid is gebaseerd op diverse wetenschappelijke onderzoeken. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er een redelijk consistent associatie – dat wil zeggen een statistisch significant verband – bestaat tussen wonen in de nabijheid van bovengrondse elektriciteitsleidingen en een, overigens geringe, verhoging van het vóórkomen van leukemie bij kinderen. Uitgaande van een – niet wetenschappelijk aangetoond – causaal verband wordt het aantal extra gevallen van leukemie bij kinderen als gevolg van magnetische velden afkomstig van bovengrondse hoogspanningslijnen, geschat op 0,2 tot 1 per jaar, op een totaal van circa 110 nieuwe gevallen per jaar in Nederland. Het hoogspanningslijnenbeleid is gebaseerd op het voorzorgbeginsel.
Ritmeester heeft in de procedure onder meer betoogd dat het hoogspanningslijnenbeleid in strijd is met hogere regelgeving en daarom buiten toepassing verklaard zou moeten worden. Ritmeester heeft in dat verband verwezen naar artikel 174 EG-verdrag en een Mededeling van de Europese Commissie over het voorzorgbeginsel. Het gerechtshof oordeelt dat Ritmeester geen beroep kan doen op artikel 174 EG-verdrag en de bedoelde mededeling van de Europese Commissie. Daarnaast oordeelt het gerechtshof dat de civiele rechter bij zijn toetsing afstand behoort te houden van beleidsregels die uitgevaardigd zijn door de centrale overheid. Alleen indien geoordeeld moet worden dat geen redelijk handelende overheid tot het beleid zou kunnen komen, is er mogelijk aanleiding om het beleid buiten toepassing te laten. Uiteindelijk oordeelt het gerechtshof onder verwijzing naar diverse wetenschappelijke rapporten en na toetsing aan het voorzorgbeginsel dat niet kan worden geoordeeld dan een redelijk handelende overheid niet tot het hoogspanningslijnenbeleid heeft kunnen komen.
Voor zover bekend is dit de eerste civielrechtelijke procedure in Nederland waarin is getoetst aan het voorzorgbeginsel.
Edward Brans en Dorith Dongelmans hebben de Staat, de provincie en de gemeente in deze procedure bijgestaan. |
| |