12 oktober 2017

CBb: Invulling functiescheidingsvereiste rechtbank Rotterdam onjuist

In twee principiële uitspraken heeft het CBb een streep gezet door de eisen die rechtbank Rotterdam sinds haar uitspraken van 15 juli 2016 stelde aan de functiescheiding binnen een toezichthouder bij boeteoplegging. Anders dan de rechtbank Rotterdam ziet het CBb geen grond voor het oordeel dat de wetgever heeft bedoeld de functiescheidingsgedachte, ook voor zover deze uit een algemeen rechtsbeginsel zoals het zorgvuldigheidsbeginsel zou voortvloeien, een ruimere strekking te geven dan het in artikel 10:3, vierde lid, Awb neergelegde mandaatverbod. De uitspraken geven blijk van de volgende vuistregels:

  • Geen rechtsregel verbiedt dat een toezichthouder contact heeft met de boetefunctionaris of bezwaarbehandelaar. Het is dan ook niet van belang welke contacten er in het kader van het besluitvormingsproces tussen deze verschillende functionarissen hebben plaatsgevonden en wat tussen hen is uitgewisseld. E-mails of verslagen van deze contacten vormen in beginsel dan ook geen op de zaak betrekking hebbende stukken.
  • Wel brengt artikel 2:4 Awb mee dat (medewerkers van) de toezichthouder haar taken zonder vooringenomenheid dient te vervullen. Een toezichthoudende autoriteit kan hieraan invulling geven door een werkwijze te hanteren waarin haar toezichthouders niet tevens verantwoordelijk zijn voor het voorbereiden van het boetevoornemen of de daaropvolgende boetebesluiten.
  • Uit de op zichzelf door de rechtbank terecht geformuleerde rechtsregel dat het contact tussen een toezichthouder en boetefunctionaris of bezwaarbehandelaar niet tot gevolg mag hebben dat de toezichthouder mede richting geeft aan de besluitvorming of dat de besluitvorming niet langer onbevangen en onafhankelijk van de toezichthouder plaatsvindt, kan niet de conclusie worden getrokken dat daaruit voor een toezichthoudende autoriteit een verdergaande verplichting volgt met betrekking tot de functiescheiding dan het in artikel 10:3, vierde lid Awb neergelegde mandaatverbod.
  • Het oordeel van de rechtbank dat van een toezichthoudende autoriteit, uit een oogpunt van zorgvuldigheid en gelet op het verdedigingsbeginsel, transparantie mag worden verwacht als een boetefunctionaris of bezwaarbehandelaar informatie vragen en verkrijgen van een toezichthouder is onjuist. Het CBb wijst er op dat dergelijke contacten juist kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de besluitvorming en het is in eerste instantie aan het bestuur van de toezichthouder te bewaken dat de voorbereiding van de besluitvorming zonder vooringenomenheid plaatsvindt.

Bron: CBb 12 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:326 en ECLI:NL:CBB:2017:327

Heeft u vragen over deze uitspraken, bijvoorbeeld wat zij betekenen voor de inrichting van uw organisatie, dan kunt u contact opnemen met Reimer Veldhuis (070-5153914) of Floortje de Bruijn (070-5153403)