Hof van Justitie: vereiste van evenredigheid van sancties in het kader van terbeschikkingstelling van werknemers heeft rechtstreekse werking

Op 8 maart jl. heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het vereiste van evenredigheid van sancties in de zin van richtlijn 2014/67 (detacheringsrichtlijn) rechtstreekse werking heeft. De nationale rechter mag een nationale sanctieregeling die strijdig is met deze richtlijn toepassen, mits hij verzekert dat de opgelegde sancties evenredig zijn. Het Hof beantwoordt hiermee prejudiciële vragen van een Oostenrijkse bestuursrechter in een geschil tussen NE en het districtsbestuur van Hartberg-Fürstenfeld. Centraal in het geschil staan sancties wegens niet-nakoming van administratieve verplichtingen in het kader van terbeschikkingstelling van werknemers.

De vennootschap CONVOI is gevestigd in Slowakije en heeft werknemers ter beschikking gesteld aan een in Oostenrijk gevestigde onderneming. Het districtsbestuur van Hartberg-Fürstenfeld heeft NE, als vertegenwoordiger van CONVOI, bij besluit van 14 juni 2018 een geldboete van € 54.000,- opgelegd omdat zij meerdere Oostenrijkse arbeidsrechtelijke verplichtingen niet was nagekomen. NE heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De verwijzende rechter heeft in die procedure aan het Hof gevraagd of sancties zoals die waar de betreffende nationale regeling in voorziet, verenigbaar zijn met artikel 20 van richtlijn 2014/67 inzake de handhaving van de regels omtrent terbeschikkingstelling van werknemers en met het evenredigheidsbeginsel. Bij beschikking van 19 december 2019 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 20 van de detacheringsrichtlijn zich verzet tegen een nationale regeling ingevolge waarvan sancties worden opgelegd voor de niet-nakoming van bepaalde arbeidsrechtelijke verplichtingen.

De Oostenrijkse bestuursrechter heeft vastgesteld dat de nationale wetgever na deze beschikking de betreffende regeling niet heeft aangepast. De Oostenrijkse rechter stelt het Hof twee vragen. De eerste vraag is of het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 20 van de detacheringsrichtlijn rechtstreekse werking heeft. De tweede vraag is of de nationale rechter en de nationale bestuurlijke instanties verplicht zijn om de relevante nationale strafbepalingen aan te vullen met evenredigheidscriteria zoals omschreven in beschikkingen van het Hof, nu de nationale wetgever geen nieuwe bepalingen op dat gebied heeft vastgesteld.

Antwoord op de eerste vraag: rechtstreekse werking artikel 20 van de detacheringsrichtlijn

In de eerste plaats oordeelt het Hof dat artikel 20 van richtlijn 2014/67 rechtstreekse werking heeft, voor zover het vereist dat de daarin vastgestelde sancties evenredig zijn. Deze bepaling kan dus door particulieren voor de nationale rechter worden ingeroepen tegen een lidstaat die dit artikel niet correct in nationaal recht heeft omgezet. Het Hof baseert dit oordeel op het gegeven dat het vereiste van evenredigheid van sancties onvoorwaardelijk is, aangezien het in absolute termen is geformuleerd. Uit het vereiste van evenredigheid van sancties vloeit een verbod op onevenredige sancties voort. Er zijn geen handelingen van de instellingen van de Unie vereist voor de vaststelling van dit verbod. Evenmin hebben de lidstaten de bevoegdheid op voorwaarden aan dit verbod te verbinden of de draagwijdte ervan te beperken. De omstandigheid dat artikel 20 van richtlijn 2014/67 moet worden omgezet naar nationaal recht, doet niet af aan de onvoorwaardelijkheid van het vereiste van evenredigheid van sancties.

Ten aanzien van de vraag of het in artikel 20 van richtlijn 2014/67 omvatte vereiste van evenredigheid van sancties voldoende nauwkeurig is, stelt het Hof vast dat de bepaling een beoordelingsmarge bij de vaststelling van de toepasselijke sanctieregeling toekent aan lidstaten. Deze beoordelingsmarge wordt echter begrensd door het algemene en ondubbelzinnig geformuleerde verbod op onevenredige sancties. Daarmee sluit een dergelijke beoordelingsmarge een rechterlijke toetsing van de omzetting van deze bepaling niet uit. Naar het oordeel van het Hof moet de betrokkene zich vooral wanneer een lidstaat zijn beoordelingsbevoegdheid overschrijdt door onevenredige sancties in het leven te roepen, rechtstreeks tegen deze nationale regeling kunnen beroepen op het vereiste van evenredigheid van sancties. Een dergelijke beoordelingsmarge sluit dus niet uit dat de omzetting van deze bepaling door de rechter kan worden getoetst.

Antwoord op de tweede vraag: beginsel van voorrang

Het Hof oordeelt ter beantwoording van de tweede vraag dat het beginsel van voorrang van het Unierecht de nationale autoriteiten slechts verplicht om een nationale regeling die deels strijdig is met het vereiste van evenredigheid van sancties in de zin van artikel 20 van richtlijn 2014/67 slechts buiten toepassing te laten voor zover dit noodzakelijk is om de oplegging van evenredige sancties mogelijk te maken.

Deze uitleg doet naar het oordeel van het Hof geen afbreuk aan de beginselen van rechtszekerheid, legaliteit inzake delicten en straffen, en gelijke behandeling.

Bron: Hof van Justitie van 8 maart 2022 inzake C-205/20