Terug naar overzicht
Kennis

De rol van integriteit in het publiek arbeidsrecht: een uitgemaakte zaak?

Op 4 augustus 2020 heeft de kantonrechter Utrecht in twee vrijwel identieke zaken de arbeidsovereenkomsten van twee gevangenisbewaarders ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen. Ten aanzien van het verweten harddrugsgebruik oordeelde de kantonrechter dat het niet evident was dat het een gevangenisbewaarder niet was toegestaan om in de privésfeer drugs te gebruiken. Dit is een interessante conclusie in het licht van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad).

 Feiten

De twee (gehuwde) ambtenaren (hierna: gevangenisbewaarder A en gevangenisbewaarder B) waren in hun functie verantwoordelijk voor de bewaring en beveiliging van gedetineerden. Eind 2019 ontving de directie van de gevangenis een signaal dat gevangenisbewaarder A openlijk met gedetineerden besprak dat er gedetineerden waren die informatie verstrekten aan het personeel (informanten). Gevangenisbewaarder A werd met onmiddellijke ingang geschorst waarna onderzoek is uitgevoerd. Tijdens het onderzoek kwam informatie naar boven die aanleiding gaf om ook gevangenisbewaarder B te schorsen en onderwerp te maken van het onderzoek.

 Ernstig verwijtbaar handelen

Op basis van de bevindingen van het onderzoek verzocht de Staat de kantonrechter de arbeidsovereenkomsten van de twee gevangenisbewaarders te ontbinden op grond van ernstig verwijtbaar handelen. Hieraan legde de Staat twee verwijten ten grondslag:

  1. Het in privé bezitten en gebruiken van harddrugs. De Staat verwees hierbij naar de hoge integriteitsnormen die voor werknemers binnen het gevangeniswezen gelden en die zijn neergelegd in de ambtenarenwet 2017, de Gedragscode Integriteit Rijk en de Gedragscode DJI. De Staat stelde zich daarbij op het standpunt dat privégebruik van drugs volgens de oude rechtspraak van de Raad leidde tot strafontslag en dat dit kader ook onder het arbeidsrecht nog steeds leidend is.
  2. Het onderhouden van een vriendschapsband met een ex-gedetineerde.

Voor gevangenisbewaarder B lag er nog een derde verwijt aan het ontbindingsverzoek ten grondslag, namelijk:

  1. Het schenden van de geheimhoudingsplicht door te spreken over een gedetineerde.
 Oordeel kantonrechter

De kantonrechter wijst het verzoek om ontbinding wegens ernstig verwijtbaar handelen toe. De kantonrechter oordeelt dat de gevangenisbewaarders contact hebben onderhouden met iemand uit het criminele circuit. Deze ex-gedetineerde voorzag de gevangenisbewaarders van drugs en was zelfs aanwezig op hun huwelijk. De kantonrechter overweegt dat dergelijke contacten voor gevangenisbewaarders niet acceptabel zijn omdat de kans groot is dat een gevangenisbewaarder zijn dealer, of iemand die weet dat en bij wie de gevangenisbewaarder zijn drugs koopt, treft in de werkomgeving, hetgeen ook is gebeurd. Een dergelijke situatie maakt een gevangenisbewaarder chantabel. De kantonrechter oordeelt verder dat gevangenisbewaarder B haar ambtsgeheim heeft geschonden door met de ex-gedetineerde te spreken over een gedetineerde. De hierboven beschreven verwijten rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter dan ook ontbinding wegens ernstig verwijtbaar handelen.

Drugsgebruik in de privésfeer

Ten aanzien van verwijt 1 oordeelt de kantonrechter dat in de genoemde regelgeving niet staat beschreven dat een ambtenaar in privétijd geen drugs mag gebruiken. Uit de door de medewerkers aangevoerde informatie van P-Direkt kan volgens de kantonrechter worden afgeleid dat privégebruik van drugs is toegestaan. De kantonrechter vervolgt dat het in een tijd waarbij het gebruik van harddrugs op festivals ertoe heeft geleid dat van overheidswege ter plaatse drugstests voor XTC worden aangeboden, niet zonder meer een gegeven is dat een dergelijke norm evident is voor de functie van de medewerkers. Een dergelijke norm kan volgens de kantonrechter ook niet kan worden afgeleid uit de rechtspraak van de Raad. Verder is de kantonrechter van oordeel dat een beperking die aan een werknemer vanuit de werkgever wordt opgelegd in zijn persoonlijke levenssfeer, zoals het verbinden van gevolgen aan privégebruik van drugs voor het voortbestaan van een arbeidsovereenkomst, aan voorwaarden is gebonden.

Integriteit in het publiek arbeidsrecht

In mijn blog ‘Ambtenaar moet volgens kantonrechter nog steeds aan hogere integriteitsmaatstaf voldoen’ schreef ik dat de wetgever ervoor heeft gekozen de bijzondere integriteitsnormen voor ambtenaren te behouden na de normalisering. Van de ambtenaar wordt intrinsieke integriteit verwacht (zie over dit onderwerp bijvoorbeeld het blog ‘Moet de ambtenaar nog steeds intrinsiek integer zijn?’ van mijn collega Dieuwertje Stolwijk). Integriteit van de ‘reguliere’ civiele werknemer wordt veelal beoordeeld aan de hand van de naleving van bedrijfsreglementen. Interessant is dat de kantonrechter in deze uitspraak meer de arbeidsrechtelijke aanpak hanteert door te kijken naar de expliciete normen uit de relevante regelgeving en reglementen (gedragscodes, informatie op P-Direkt). Op basis daarvan achtte de kantonrechter het niet evident dat een gevangenisbewaarder zich moet onthouden van het gebruik van drugs in de privésfeer. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat de relevante gedragscodes het gebruik van (illegale) harddrugs expliciet toestaan.

Rechtspraak CRvB

De kantonrechter heeft geoordeeld dat een duidelijke norm ook niet kan worden afgeleid uit de rechtspraak van de Raad. Dit is een interessante lezing van de rechtspraak van de Raad, nu daarin is geoordeeld dat ook handelen buiten werktijd onder omstandigheden strijdig kan zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim kan opleveren (zie bijvoorbeeld CRvB 24 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1914). Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen wanneer het handelen van de ambtenaar, gelet op de vervulde functie, het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad, maar ook in situaties waarbij de hoedanigheid en de gedragingen in de privésfeer onvoldoende gescheiden of te scheiden zijn. Beide situaties lijken in deze uitspraak aan de orde te zijn.

Ik kan het oordeel van de kantonrechter dat er geen duidelijke norm kan worden afgeleid uit de rechtspraak van de Raad niet volgen. De kantonrechter onderbouwt deze overweging helaas ook niet. Ik acht niet uitgesloten dat de Raad ook het drugsgebruik van de gevangenisbewaarders als plichtsverzuim zou hebben aangemerkt waaraan, zeker in combinatie met de andere verwijten, strafontslag niet onevenredig zou zijn geweest. Relevante omstandigheden daarvoor zijn mijns inziens dat het (illegale) harddrugs betrof en de gevangenisbewaarders drugs verkregen van een ex-gedetineerde. Een dergelijke gang van zaken heeft mijns inziens zeker een weerslag op de organisatie en kan het moeilijker maken voor de gevangenisbewaarders om geloofwaardig hun functie uit te oefenen.

Ik ben benieuwd hoe hogere rechters zullen omgaan met dit soort zaken, nu kantonrechters onderling de integriteitsmaatstaf verschillend lijken toe te passen (zie voor een andere aanpak bijvoorbeeld het blog ‘Strenge maatstaf bij integriteitsschending ambtenaar in privésfeer’).

Bronnen:

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door