Terug naar overzicht
Kennis

Minder ontslagbescherming bestuurder van een stichting per 1 juli 2021

De positie van de stichtingsbestuurder is al jaren een vreemde eend in de bijt. Voor statutair bestuurders geldt als uitgangspunt dat een vennootschappelijk ontslag ook tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidt. Dit is anders voor bestuurders van stichtingen. Om na een formeel ontslag als bestuurder van een stichting een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst is in beginsel een gang naar de rechter nodig. Door de inwerkingtreding van de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen komt hier per 1 juli 2021 verandering in.

Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR)

De WBTR heeft een lange aanlooptijd gehad. Al sinds 2016 wordt over het verbeteren van de regels voor het bestuur en toezicht van met name verenigingen en stichtingen gesproken. Hierna ga ik in op één aspect van de WBTR, te weten de fundamenteel gewijzigde ontslagbescherming van bestuurders van een stichting.

Huidige positie van de stichtingsbestuurder

Stichtingsbestuurders hebben een dubbele rechtsbetrekking met de stichting:

  • een rechtspersonenrechtelijke relatie, uit hoofde van de benoeming als bestuurder; en
  • een arbeidsrechtelijke relatie, op grond waarvan de werkzaamheden worden verricht.

De ontslagbescherming van een stichtingsbestuurder is op dit moment nog wezenlijk anders geregeld dan die van (bijvoorbeeld) een bestuurder van een B.V.

Ontslag van een bestuurder van een B.V.

Binnen een B.V. is doorgaans de algemene vergadering van aandeelhouders bevoegd om een bestuurder te ontslaan. Daarvoor dienen enkele formaliteiten in acht genomen te worden, zoals het tijdig bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders en het horen van de bestuurder. Op grond van de 15 april-arresten leidt een vennootschapsrechtelijk ontslag ook tot een beëindiging van de arbeidsrelatie van de betreffende bestuurder. Dat is alleen anders in geval van ziekte of een gemaakte afwijkende afspraak.

Voor een ontslag van een statutair bestuurder van een B.V. is dus geen ontslagvergunning van het UWV of een ontbinding door de rechter nodig. Ook kan een bestuurder van een B.V. geen herstel van de arbeidsovereenkomst vorderen.

Ontslag van een bestuurder van een stichting

Bij veel stichtingen bestaat er een Raad van Toezicht, die op grond van de statuten bevoegd is om de bestuurder te benoemen en te ontslaan. Maar, anders dan bij het ontslag van een bestuurder van een B.V., leidt een formeel ontslag als bestuurder van een stichting niet automatisch tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst van die bestuurder. De (ex-)bestuurder blijft in dienst, totdat het UWV een ontslagvergunning heeft afgegeven (bij langdurige arbeidsongeschiktheid of bedrijfseconomische redenen) waarmee de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd, de rechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden (op grond van een voldragen ontslaggrond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub c t/m i BW) of partijen ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Daar waar geen ontslagvergunning wordt verleend, een ontbinding wordt afgewezen of een minnelijke regeling afketst, kan een problematische situatie ontstaan. De arbeidsovereenkomst van de (ex-)bestuurder duurt dan voort.

Als er geen Raad van Toezicht is benoemd zal het bestuur bovendien veelal het enige orgaan van de stichting zijn. De wet kent, mede voor die situatie, een bijzondere ontslagregeling. Op grond van artikel 2:298 BW kan een stichtingsbestuurder op verzoek van het openbaar ministerie of van een belanghebbende worden ontslagen als de bestuurder i) handelt in strijd met de wet of de statuten of ii) zich schuldig maakt aan wanbeheer. Deze ontslaggronden zijn in de jurisprudentie beperkt uitgelegd. Ontslag door de rechter kan om die reden pas plaatsvinden als redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de onrechtmatigheid van het handelen of wanneer sprake is van financieel wanbeheer (zie onder meer Hoge Raad 3 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD4123, NJ 1975/222).

Onwenselijke situatie

Uit de memorie van toelichting bij de WBTR volgt dat in de praktijk blijkt dat de ontslaggronden volgend uit artikel 2:298 BW in bepaalde gevallen niet toereikend zijn voor het realiseren van een ontslag van een bestuurder. Dat kan ertoe leiden dat het belang van de stichting zodanig wordt geschaad dat het niet langer verantwoord is om de bestuurder te handhaven. Deze situatie zorgt voor een patstelling en wordt blijkens de memorie van toelichting onwenselijk bevonden. De continuïteit van de betreffende stichting kan hierdoor immers in gevaar komen. Voor stichtingen die actief zijn in (semi)publieke sectoren kan het zelfs betekenen dat de uitvoering van diensten of taken van publiek belang in het gedrang komen. De WBTR komt hieraan tegemoet.

Positie van de stichtingsbestuurder na 1 juli 2021

Met de inwerkingtreding van de WBTR per 1 juli 2021 worden de regels met betrekking tot het ontslag van een stichtingsbestuurder gewijzigd.

In het nieuwe artikel 2:298a BW wordt vastgelegd dat de rechter de arbeidsovereenkomst van een (ex-)bestuurder niet kan herstellen. Dat heeft tot gevolg dat de Raad van Toezicht de arbeidsovereenkomst van een stichtingsbestuurder vanaf 1 juli 2021 kan opzeggen zonder voorafgaande toestemming van het UWV of de rechter. Vanzelfsprekend is voor het ontslag van een stichtingsbestuurder wel een voldragen ontslaggrond nodig. Is die er niet, dan kan de stichtingsbestuurder een gerechtelijke procedure starten en een billijke vergoeding verzoeken. Met deze wijzigingen wordt de positie van stichtingsbestuurders in lijn gebracht met de regels die al gelden voor bestuurders van andere rechtspersonen, zoals de B.V.

Ook wanneer er geen Raad van Toezicht is benoemd worden de mogelijkheden voor een ontslag door de WBTR verruimd. Artikel 2:298 BW bepaalt vanaf 1 juli 2021 dat een stichtingsbestuurder door de rechter kan worden ontslagen wegens:

  • verwaarlozing van zijn taak;
  • andere gewichtige redenen;
  • ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet geduld kan worden; en
  • het niet of niet behoorlijk voldoen aan een bevel van de voorzieningenrechter.

Raad van Commissarissen

De WBTR regelt voorts dat de mogelijkheid tot schorsing en ontslag ook van toepassing is op een Raad van Commissarissen of ander toezichthoudend orgaan van de stichting. Daarmee is in een bestaande lacune voorzien.

Conclusie

De WBTR zal ertoe leiden dat de bijzondere positie van de stichtingsbestuurder, en meer specifiek de ruimere ontslagbescherming in vergelijking met bestuurders van andere rechtspersonen, zal verdwijnen. Vanuit arbeidsrechtelijk perspectief komt er een juridisch kader dat voor alle bestuurders in geval van een ontslag gelijk is. Dat is een ontwikkeling die door velen zal worden omarmd. Ook doet dit recht aan het uitgangspunt dat een stichting bestuurd dient te worden door een persoon die voor het vervullen van die rol te allen tijde het volste vertrouwen geniet.

Bronnen:

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door