Terug naar overzicht
Kennis

Moet de ambtenaar nog steeds intrinsiek integer zijn?

  •  · 
  • Dieuwertje Stolwijk

Op 11 augustus 2020 heeft de kantonrechter Rotterdam geoordeeld over vier complexbeveiligers van een penitentiaire inrichting (PI) die zich tijdens een nachtdienst niet aan de instructies en de gedragscodes hebben gehouden. Volgens de kantonrechter was dit slordig en onzorgvuldig, maar niet verwijtbaar. De ontbindingsverzoeken van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) worden daarom afgewezen. Wat speelde er in deze zaak?

Zwaarbeveiligde PI met (extreem) hoog vluchtrisico

De complexbeveiligers zijn werkzaam bij een PI waar een groot aantal gedetineerden is gehuisvest met een extreem of hoog risico tot ontvluchting. In de PI is tevens de terroristenafdeling gehuisvest als gevolg waarvan de beveiligers extra veiligheidsmaatregelen in acht moeten nemen. Binnen de PI gelden daarom heldere (werk)instructies. Zo mogen deuren binnen de PI bijvoorbeeld nooit gelijktijdig geopend worden en mag de buitenmuur (buitendeur) ’s nachts alleen geopend worden in geval van calamiteiten en na toestemming van de directie. Verder is het personeel verplicht om gebeurtenissen tijdens een nachtdienst te melden.

Nachtdienst van 4 op 5 februari 2020

Tijdens de nachtdienst van 4 op 5 februari 2020 hebben de complexbeveiligers pizza besteld en zowel de buitenmuur als de binnendeur gelijktijdig opengezet om de pizzabezorger de PI binnen te laten. Hierdoor was er een vrije toegang tot de PI. De beveiligers hebben de pizzadoos niet gecontroleerd op verboden voorwerpen en een van de beveiligers is ongecontroleerd met sleutels door het detectiepoortje gegaan. De beveiligers hebben van de gebeurtenissen tijdens de nachtdienst geen melding gemaakt.

Na ontdekking van de gebeurtenissen zijn de beveiligers direct geschorst en is DJI een intern onderzoek gestart. Na de uitkomsten van het onderzoek heeft DJI vier ontbindingsverzoeken ingediend vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen. De complexbeveiligers zouden met hun handelen een onaanvaardbaar veiligheidsrisico hebben genomen en hun gedrag zou indruisen tegen alle geschreven en ongeschreven regels binnen DJI en de PI.

Onvoldoende onderzoek door DJI

Volgens de complexbeveiligers zou het (gelijktijdig) openen van de deuren al geruime tijd de gangbare praktijk zijn waarvan ook leidinggevenden op de hoogte waren. Het hoofd Veiligheid van DJI heeft dit ter zitting ontkend. De kantonrechter acht die ontkenning echter onvoldoende concreet en oordeelt dat DJI had moeten onderzoeken of dit inderdaad de staande praktijk was.

Verder is de kantonrechter onvoldoende gebleken dat DJI een strikt (sanctie)beleid naleeft ten aanzien van het (gelijktijdig) openen van deuren binnen de PI. DJI heeft volgens de kantonrechter nagelaten nadere stukken (zoals personeelsmededelingen) te overleggen waaruit blijkt dat medewerkers expliciet op de regels en de gevolgen van overtreding zijn geattendeerd. De beveiligers waren zich daarom onvoldoende bewust van de ontoelaatbaarheid van hun gedrag, terwijl juist een werkgever als DJI ervoor moet waken dat medewerkers routinematig werken en veiligheidsvoorschriften niet meer in acht nemen.

Slordig en onzorgvuldig, maar niet verwijtbaar

De kantonrechter concludeert dat de gang van zaken rondom de pizzabezorging op zijn minst slordig en onzorgvuldig is geweest van de complexbeveiligers. Zeker gelet op de hoge (integriteits)eisen die mogen worden gesteld aan medewerkers van DJI (met name op een PI gedurende een nachtdienst). Dit kan volgens de kantonrechter echter geen ontbinding op de e-grond rechtvaardigen. Ook het feit dat de complexbeveiligers in strijd met de gedragscode en de nachtdienstinstructie geen melding hebben gemaakt van de gebeurtenissen die nacht maakt dit niet anders. Volgens de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat binnen de PI sprake is van een angstcultuur en dat zaken melden wordt gezien als ‘klikken’.

Wat zou de Centrale Raad van Beroep in deze zaak hebben geoordeeld?

De (oude) integriteitsrechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) laat zien dat de Raad een aantal elementen zeer waarschijnlijk anders had gewogen dan de kantonrechter nu doet.

Zo luidde vaste rechtspraak van de Raad dat een (angst)cultuur binnen een organisatie of afdeling een ambtenaar niet kon baten. Zelfs als al sprake was van een dergelijke cultuur, dan verontschuldigde dat het handelen van de ambtenaar niet. Een ambtenaar bleef volgens de Raad immers zelf verantwoordelijk voor zijn eigen handelen (CRvB 5 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1678 en CRvB 13 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC4301). Ook konden ambtenaren zich bij de Raad minder makkelijk verschuilen achter het argument dat zij niet bekend waren met de regels en de gevolgen van overtreding daarvan. Als door een overheidswerkgever werd aangevoerd dat die regels in bijvoorbeeld een gedragscode of handboek waren gepubliceerd op het intranet, dan was dat volgens de Raad vaak al voldoende om bekendheid met die regels aan te nemen CRvB 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:517 en 2 augustus 2012 ECLI:NL:CRVB:2012:BX3555).

Slotsom

De tot op heden verschenen uitspraken van kantonrechters over ambtenaren zijn veelal integriteitszaken. Opvallend is dat kantonrechters met name tegen bepaalde integriteitsonderwerpen anders aan kijken dan de Raad deed. De kantonrechter lijkt meer verantwoordelijkheid bij de overheidswerkgever te leggen (zie ook dit eerdere blog). Het is aan de overheidswerkgever om heldere regels te stellen en ervoor te zorgen dat de ambtenaren van die regels op de hoogte zijn. Voor overheidswerkgevers is het belangrijk om dit in het achterhoofd te houden. Wij zijn benieuwd of de gerechtshoven de lagere rechtspraak zullen volgen.

Bron

Rb Rotterdam 11 augustus 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7329, ECLI:NL:RBROT:2020:7330, ECLI:NL:RBROT:2020:7331 en ECLI:NL:RBROT:2020:7332

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door

Dieuwertje Stolwijk