Terug naar overzicht
Kennis

Compensatie in natura

In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat bij het bepalen of de schade voldoende is gecompenseerd in natura geen rekening behoeft te worden gehouden met de veranderende bestemmingen van omliggende percelen als gevolg van de dezelfde planologische ontwikkeling. Het standpunt dat de veranderende bestemming van deze percelen ervoor zouden zorgen dat het agrarische bedrijf niet meer zou kunnen uitbreiden is volgens de Afdeling te onzeker.

Wat speelde er?

De exploitanten van een glastuinbouwbedrijf (appellanten in deze zaak) verzoeken het college van B&W van Zuidplas (college) om tegemoetkoming in planschade vanwege de waardevermindering van het perceel waarop zij hun bedrijf exploiteren. Door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Zuidplas West” is de voorheen geldende agrarische bestemming van het perceel gewijzigd in “Woongebied – uit te werken”. Het college wijst het verzoek om tegemoetkoming in geld echter af, omdat de schade in natura is gecompenseerd middels het bestemmingsplan “1e partiële herziening Zuidplas West”. Het herziene bestemmingsplan voorziet in het herstel van de bestemming “agrarisch – glastuinbouw” van het perceel. Appellanten kunnen zich niet verenigen met dit besluit en stappen naar de rechter.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank schorst het onderzoek ter zitting en verzoekt de Stichting Advisering bestuursrechtspraak (STAB) advies uit te brengen over de vraag of met de vaststelling van het herziene bestemmingsplan de schade volledig is gecompenseerd. Volgens het STAB is de gestelde schade door de herziening gecompenseerd. In dit oordeel heeft het STAB rekening gehouden met de omstandigheid dat de omliggende gronden een andere bestemming hebben dan het glastuinbouwbedrijf van appellanten. De rechtbank ziet geen reden om van dit oordeel af te wijken.

Het oordeel van de Afdeling

Appellanten stellen in hoger beroep dat de betreffende compensatie niet voldoende is omdat alleen de bestemming van hun perceel is hersteld, maar niet die van omliggende gronden. Dit heeft ervoor gezorgd dat uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf ter plaatse volgens appellanten niet meer mogelijk is. Het bedrijf ligt als gevolg van de planologische ontwikkeling niet meer in een glastuinbouwconcentratiegebied en is het bedrijf minder waard geworden. Volgens appellanten is er dan ook onterecht geen vergelijking gemaakt tussen enerzijds de voortzetting van het bestaande bedrijf als solitair gevestigd glastuinbouwbedrijf, en anderzijds herontwikkeling van het gebied tot woningbouwlocatie en verplaatsing van het bedrijf. De Afdeling oordeelt dat een dergelijke vergelijking achterwege kan blijven, nu de planvergelijking slechts is bedoeld om het verschil in kaart te brengen tussen de planologische situatie voorafgaand aan de planwijziging waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, en de planologische situatie na inwerkingtreding daarvan.

Daarnaast overweegt de Afdeling dat het STAB voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de mogelijkheden van het bedrijf om uit te breiden zijn beperkt. Daar komt bij dat de stelling dat het bedrijf meer waard zou zijn geweest indien de agrarische bestemming van de omliggende percelen zou zijn hersteld, niets af doet aan de conclusie dat met de herziening van het bestemmingsplan voldoende compensatie is geboden. Hierbij is volgens de Afdeling van belang dat het bedrijf momenteel niet geheel solitair is gelegen. De gronden ten oosten en zuidoosten van het bedrijf zijn tevens opnieuw bestemd voor glastuinbouw. De vraag of appellanten zouden kunnen profiteren van schaalvoordelen van de ligging in een gebied waarin verschillende glastuinbouwbedrijven zouden zijn gevestigd is niet aan de orde. Allereerst waren dergelijk bedrijven niet aanwezig ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. Daarnaast is het antwoord op deze vraag onzeker vanwege het gegeven dat het behalen van schaalvoordelen afhankelijk is van de bereidheid van andere glastuinbouwbedrijven om zich in de nabijgelegen omgeving te vestigen, en of zij zouden willen samenwerken met appellanten om eventuele schaalvoordelen te behalen.

Wat kunt u met deze zaak?

De Afdeling laat met deze uitspraak zien dat bij het vaststellen van directe planschade in de vorm van waardevermindering van het perceel geen rol hoeft toe te komen aan de veranderende bestemming van omliggende percelen als gevolg van dezelfde planologische ontwikkeling. Voor dit standpunt acht de Afdeling het in deze zaak mede relevant dat het college meerdere bestemming middels het herziene bestemmingsplan heeft hersteld naar de oorspronkelijke agrarische bestemming.

ABRvS 4 maart 2020, nr. 201902754/1/A2 Directe planschade, schade anderszins verzekerd, compensatie in natura

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door