Terug naar overzicht
Kennis

Kapitalisatiefactor en normaal maatschappelijk risico

De Afdeling ziet geen reden om te tornen aan de kapitalisatiefactor ondanks dat de kapitalisatieperiode is verstreken en de schade zich nog steeds voordoet. Om te beoordelen of de gehanteerde korting als normaal maatschappelijk risico redelijk is rekent de Afdeling de korting om naar het jaarlijkse percentage omzetderving en vergelijkt dit met het minimumforfait van 2% uit artikel 6.2, tweede lid onder a, van de Wro.

Kern van de zaak  

Appellant verzoekt om schadevergoeding vanwege de gewasschade die het gevolg is van een verhoogde waterstand na de herinrichting van de Eckelstebeek door het Waterschap Limburg.

Wat speelde?

Appellant exploiteert samen met zijn zoon een agrarische onderneming. Als gevolg van de herinrichting van de Eckeltsebeek door het Waterschap Limburg is het waterpeil in de beek gewijzigd. Ter plaatse van de percelen van appellant heeft dit tot gevolg dat de waterstand is verhoogd. Hierdoor meent appellant in de periode van 2005 tot 2015 gewasschade te hebben geleden.

Het dagelijks bestuur heeft op basis van het advies van de commissie aan appellant een vergoeding aan nadeelcompensatie toegekend van EUR 206.010,--. De commissie kwam tot dit bedrag door de jaarlijkse inkomensschade vanaf 2005 te bereken en deze te kapitaliseren met factor 10 – de betrokken percelen zijn de eigendom van appellant. De totale inkomensschade wordt berekend op EUR 228.900,--. Het normaal ondernemersrisico wordt op 10% gesteld. Aanvullend is onderzocht of sprake is van vermogensschade door herinrichting van de beek. De commissie heeft de waardevermindering vastgesteld op EUR 147.750,-- en vastgesteld dat deze, na aftrek van een korting van 10% wordt geacht te zijn verdisconteerd in de gekapitaliseerde inkomensschade.

De rechtbank oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht uitgaat van een kapitalisatiefactor van 10. Een aanvullende vergoeding voor de schade ná 2016 is niet aan de orde, aangezien de vergoeding op basis van de gekapitaliseerde inkomensschade ziet op de gehele te lijden inkomensschade. Appellant kon zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank.

Hoe oordeelt de Afdeling?

Appellant betoogt dat de kapitalisatiefactor meer dan 10 moet zijn, omdat het toegekende bedrag niet afdoende is om alle schade en daarmee gepaarde kosten te dekken.

De Afdeling oordeelt dat dit betoog niet kan slagen. Uit vaste rechtspraak volgt dat in geval van jaarlijks, voor onbepaalde tijd terugkerende inkomensschade, de inkomensschade overeenkomstig de systematiek van het onteigeningsrecht moet worden gekapitaliseerd. Kapitalisatie gebeurt door het bedrag van de gemiddelde jaarlijkse netto-inkomensschade te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. Voor de berekening van de inkomensschade van een eigenaar word gebruikelijk factor 10 toegepast. Met de uitkering van een som geld in één keer wordt beoogd om de verliezen welke de gedupeerde in de loop van de komende jaren zal lijden te compenseren.

Appellant meent dat geen korting van 10% op de inkomensschade moet worden toegepast. Om reden dat het waterschap had toegezegd dat de schade volledig vergoed zou worden en de schade niet in de lijn der verwachting lag.

De Afdeling is het niet eens met appellant en overweegt dat het dagelijks bestuur 10% van de getaxeerde schade voor rekening van appellant mocht laten. De commissie heeft de opbrengstderving van het deel van de gronden dat door de herinrichting van de beek in een nadeliger positie is komen te verkeren, begroot op ca. 17% op jaarbasis. Van deze omzetderving wordt 10% voor rekening van appellant gelaten. Dit komt neer op 1,7% van de omzet op jaarbasis. Dit komt de Afdeling als redelijk voor. Mede gezien de uitspraken van de Afdeling van 11 februari 2015, zaaknr. 201311321/2/A2 en 12 december 2018, zaaknr. 201708047/1/A2, waarin voor de beoordeling van de vergoedbaarheid van inkomensschade aansluiting is gezocht bij het in artikel 6.2, tweede lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening neergelegde minimumforfait van 2%.

Appellant meent verder dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de schadepost belastingschade te laat door hem is opgevoerd.

Dit betoog van appellant slaagt. De Afdeling wijst op het gegeven dat ter zitting door het dagelijks bestuur niet is bestreden dat zich mogelijk belastingschade voordoet, omdat mogelijk extra inkomstenbelasting wordt geheven als gevolg van het in één keer uitkeren van het bedrag aan nadeelcompensatie. Het had daarom op de weg van het dagelijks bestuur gelegen om deze schadepost, nu de hoogte ervan in bezwaar nog niet kon worden vastgesteld, als een pro memorie post in het bestreden besluit op te nemen.

Wat kunt u met de zaak?

Een opvallende uitspraak van de Afdeling. Allereerst vanwege het feit dat de schade zich al zolang voordoet dat inmiddels de kapitalisatieperiode is verstreken en de schade nog steeds doorloopt. Toch is dat geen reden voor de Afdeling om te tornen aan de kapitalisatiefactor. Ten tweede is opvallend aan deze uitspraak dat de Afdeling, om te beoordelen of de gehanteerde korting op de inkomensschade redelijk is, een vergelijking maakt met de eerdere uitspraken waarin voor de beoordeling van de vergoedbaarheid van inkomensschade aansluiting is gezocht bij het in artikel 6.2, tweede lid, onder a, van de Wro neergelegde minimumforfait van 2%. Om dit te kunnen vergelijken wordt door de Afdeling de korting omgerekend naar het jaarlijkse percentage op de omzetderving. Terwijl in de uitspraken waar de Afdeling naar verwijst het forfait van 2% niet gerelateerd is aan de omzet, maar aan het bedrijfsresultaat (inkomen). Bovendien heeft de Afdeling in het verleden hogere kortingspercentages toegepast op de inkomensschade. In die gevallen werd niet bekeken wat de jaarlijkse percentage op de omzetderving bedroeg om te beoordelen of de korting redelijk was.

ABRvS 16 februari 2022, zaaknr. 202001827/1/A2 

Kapitalisatiefactor, normaal maatschappelijk risico, belastingschade 

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door