Terug naar overzicht
Kennis

Planschade en overdrachtsrecht

De Afdeling bevestigt in deze uitspraak de hoofdregel dat het overgangsrecht van het nieuwe planologische regime niet bij de planvergelijking mag worden betrokken en evenmin bij de schadeberekening.

Kern van de zaak

Bij elkaar in tijd opvolgende streekplannen wordt de voorzienbaarheid (actieve risicoaanvaarding) in beginsel beoordeeld aan het hand van het antwoord op de vraag of op basis van het ten tijde van de investeringsbeslissing meest recente gepubliceerde streekplan voor een redelijk handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met een ongunstige planologische verandering.

Wat speelde er?

Het gaat hier om een hoger beroep van het college van GS van de provincie Limburg (het college) in een planschadekwestie over de Buitenring Parkstad Limburg. Volgens het college komt de wederpartij in hoger beroep niet voor planschadetegemoetkoming in aanmerking, omdat de provincie reeds in het Streekplan Zuid-Limburg uit 1977 het voornemen heeft geuit tot de aanleg van een (inter)nationale weg in de nabijheid van de woning. De voorzienbaarheid is volgens het college vóór de investeringsbeslissing niet doorbroken door het Streekplan Zuid-Limburg uit 1987 of het Streekplan Oostelijk Zuid-Limburg uit 1991. De rechtbank oordeelde echter dat de voorzienbaarheid moet worden beoordeeld aan de hand van het meest recente concrete beleidsvoornemen ten tijde van de aankoop van de woning. In dit geval is dat het Streekplan 1991 en daarin staat de komst van een (inter)nationale weg nabij de woning niet expliciet vermeld.

Hoe oordeelt de Afdeling?

De Afdeling overweegt dat uit haar rechtspraak niet in het algemeen volgt dat bij de beoordeling van de voorzienbaarheid eerst wordt gekeken naar het oudste concrete beleidsvoornemen en dat vervolgens wordt beoordeeld of dat beleidsvoornemen met een later beleidsvoornemen is doorbroken. Met de rechtbank oordeelt de Afdeling dat in gevallen als deze – waarin de voorzienbaarheid wordt gebaseerd op elkaar in tijd opvolgende streekplannen als bedoeld in artikel 4 WRO – wordt uitgegaan van het meest recente streekplan ten tijde van de investeringsbeslissing. Daarom is hier niet relevant dat tussen partijen vast stond dat de BPL voorzienbaar was op basis van het Streekplan 1977. Relevant is alleen of de wederpartij uit het Streekplan 1991 kon afleiden dat de provincie een concreet voornemen had om in de nabijheid van zijn woning een weg te realiseren. Dat was volgens de Afdeling niet het geval, omdat de weg niet op de kaart of expliciet in de tekst van het Streekplan 1991 staat vermeld. Dat het Streekplan 1991 verwijst naar de Prioriteitenstelling Hoofdwegenstructuur Oostelijk Mijngebied uit 1985, waarin nog steeds rekening werd gehouden met de weg, maakt dat niet anders. De Prioriteitenstelling 1985 is niet gepubliceerd en in het Streekplan 1991 zijn de relevante passages uit de Prioriteitenstelling niet overgenomen. Kortom: geen voorzienbaarheid volgens de Afdeling. Wel gaat het college terecht uit van een normaal maatschappelijk risico van 3%.

Wat kunt u met deze uitspraak?

Bij elkaar in tijd opvolgende streekplannen gaat de Afdeling voor de voorzienbaarheid uit van het meest recente streekplan ten tijde van de investeringsbeslissing. Daarbij rijst de vraag welke rol het leerstuk van doorbreking van de voorzienbaarheid in dit soort gevallen nog speelt.

ABRvS 28 juli 2021, nr. 202002472/1/A1

Planschade, voorzienbaarheid, streekplan

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door