Terug naar overzicht
Kennis

Planschadeuitspraken normaal maatschappelijk risico

Op 8 juli 2020 heeft de Afdeling in twee planschadezaken geoordeeld over de omvang van het normaal maatschappelijk risico. In beide gevallen was sprake van een normale maatschappelijke ontwikkeling. In de eerste uitspraak over de vergroting van een bouwvolume komt het normaal maatschappelijk risico uit op 3%. In de tweede uitspraak over de uitbreiding van een recreatieterrein echter op 2%. Het verschil zit hem erin dat de ontwikkeling in het tweede geval niet in de lijn der verwachtingen lag, nu niet aannemelijk was gemaakt dat de ontwikkeling binnen langjarig ruimtelijk beleid paste.

Wat speelde er?

In de eerste zaak verzocht de eigenaar van een bedrijfswoning met bedrijfspand om tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Wierden-dorp, herziening Smeijerkamp”. Het bestemmingsplan voorziet in grotere gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de gronden ten zuiden van zijn pand. Dit leidt volgens verzoeker tot vermindering van uitzicht, aantasting van privacy, minder zon en meer verkeersoverlast. Het college kent in navolging van een advies van Langhout een tegemoetkoming toe van € 5.500,= uitgaande van een waardedaling van € 10.000,= en een normaal maatschappelijk risico van 3%. De verzoeker beroept zich op een contra-advies van Overwater, dat uitkomt op een hogere tegemoetkoming van € 19.420,=. Overwater gaat uit van een waardedaling van € 23.600,=, een normaal maatschappelijk risico van 2% en een extra vergoeding voor vervroegde afschrijving van zonnepanelen.

In de tweede zaak verzochten de eigenaren van een perceel met een woning, chalet en bedrijfsgebouwen om tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Uitbreiding recreatiecentrum De Vogel”. Het bestemmingsplan maakt op een terrein ten zuiden van de kreek De Vogel verblijfsrecreatie mogelijk en op een strook grond ten westen daarvan een ontsluitingsweg. De eigenaren stellen dat hun perceel met opstallen in waarde daalt omdat de betrokken gronden voorheen natuurgebied waren. Het college kent in navolging van een advies van SAOZ geen planschadetegemoetkoming toe. Uit dit advies volgt dat weliswaar sprake is van een waardedaling van € 5000,=, maar dat deze volledig onder het normaal maatschappelijk risico van 4% valt. Appellant beroept zich op een contra-advies van Gloudemans.

Hoe oordeelt de Afdeling?

In de eerste zaak oordeelt de Afdeling dat het college terecht is uitgegaan van het advies van Langhout. Vergroting van het aantal woningen per vierkante meter in een bestaand woongebied komt geregeld voor in Nederland en vormt dan ook een normale maatschappelijke ontwikkeling. De ontwikkeling lag in dit geval gedeeltelijk in de lijn der verwachtingen, omdat het college heeft toegelicht dat inbreiding in en verdichting van bestaande woonwijken al ongeveer tien jaar deel uitmaakt van het ruimtelijke beleid. De bouw van appartementen vrijwel op de zuidelijke perceelgrens van verzoeker lag echter niet in de lijn der verwachtingen. De ontwikkeling past verder binnen de ruimtelijke structuur nu zij plaatsvindt binnen bestaand woongebied. In deze omstandigheden acht de Afdeling een normaal maatschappelijk risico van 3% redelijk.

In de tweede zaak stelt de Afdeling in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil en mede gezien de beperkte hoogte van de planschade, de procedure tot dan toe en de adviezen van SAOZ en Gloudemans de planschade ex aequo en bono vast op € 7000,=. Daarnaast stelt de Afdeling het normaal maatschappelijk risico zelf vast. Het college is in zijn herstelbesluit ten onrechte niet ingegaan op het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek met betrekking tot het percentage van 4%. Volgens de Afdeling valt de uitbreiding van een bestaand recreatieterrein te beschouwen als een normale maatschappelijke ontwikkeling die geregeld in Nederland voorkomt. Vast staat echter dat de uitbreiding niet kon worden gerealiseerd zonder de ontsluitingsweg, die op voormalige natuurgronden is komen te liggen en daardoor niet binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past. Verder is niet gebleken dat de ontwikkeling past in het langjarig gemeentelijke beleid. In die omstandigheden acht de Afdeling een percentage van 2% redelijk.

Wat kunt u met deze uitspraak?

De uitspraken maken duidelijk dat het normaal maatschappelijk risico op een hoger percentage dan het wettelijk minimumforfait van 2% uitkomt indien aan twee criteria is voldaan. Ten eerste moet sprake zijn van een normale maatschappelijke ontwikkeling en ten tweede moet deze ook (ten minste gedeeltelijk) in de lijn der verwachtingen liggen. Wat dat laatste betreft is met name een taak weggelegd voor het bestuursorgaan. Onderbouwd moet worden waarom de ontwikkeling past binnen langjarig ruimtelijk beleid.

ABRvS 8 juli 2020, nrs. 201904409/1/A2 en 201905348/1/A2

Planschade, normale maatschappelijke ontwikkeling, percentage nmr resp. 2% en 3%

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door