Terug naar overzicht
Kennis

Hoger beroep door bestuursorganen: meer reparatiemogelijkheden, minder procesbesluitstress

Het instellen van (incidenteel) hoger beroep tegen een rechtbankuitspraak door of namens een bestuursorgaan vraagt bijzondere aandacht voor de bevoegdheid van de functionaris die het hoger beroep instelt. Het ontbreken van een (bevoegd genomen) procesbesluit leidt tot niet-ontvankelijkheid van een namens het bestuursorgaan ingesteld hoger beroep. Bestuursorganen doen er daarom goed aan om hun (onder)mandaatregelingen omtrent het besluiten tot (en het daadwerkelijk instellen van) rechtsmiddelen up to date te houden.

Uit de Afdelingsuitspraak van 17 maart 2021 blijkt dat echter dat bestuursorganen de mogelijkheid hebben om gebreken in de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep te repareren zodat het ontbreken van een tijdig genomen procesbesluit niet altijd meer leidt niet-ontvankelijkheid.

Wat speelde er?

In een geschil over intrekking en terugvordering van een verleende investeringspremie, had het bestuursorgaan hoger beroep ingesteld tegen een hem onwelgevallige uitspraak van de rechtbank. De subsidieontvanger, die zich met de terugvordering zag geconfronteerd, voerde een ontvankelijkheidsverweer in hoger beroep: volgens de subsidieontvanger was het door het bestuursorgaan ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een procesbesluit dat was genomen binnen de termijn voor het indienen van een hoger beroepschrift.

De subsidieontvanger wees op eerdere rechtspraak, waaronder de uitspraak van 22 april 2020, waaruit bleek dat de Afdeling een strenge koers aanhield, die erop neerkwam dat het ontbreken van een binnen de beroepstermijn bevoegdelijk genomen procesbesluit onherroepelijk leidt tot schipbreuk van het ingestelde hoger beroep van het bestuursorgaan dat reparatie van dat fatale gebrek niet mogelijk zou zijn na het verstrijken van de hogerberoepstermijn. Ik verwijs naar het eerder hierover geschreven blogbericht, waarin ook op de achtergronden van die tot voor kort aangehouden strenge lijn wordt ingegaan.

In haar uitspraak van 17 maart 2021 zet de Afdeling echter een soepeler koers in waar het gaat om de beoordeling van de ontvankelijkheid van door/namens het bestuursorgaan ingesteld hoger beroep. Naar aanleiding van het gevoerde ontvankelijkheidsverweer overwoog de Afdeling dat, anders dan uit de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 volgt, het ontbreken van een binnen de beroepstermijn genomen procesbesluit niet per definitie tot niet-ontvankelijkverklaring van het ingestelde beroep leidt.

De Afdeling overweegt dat van belang is dat in de procedure komt vast te staan dat het bestuursorgaan instemt met het instellen van het hoger beroep. Een procesbesluit kan daarmee ook na het verstrijken van de hogerberoepstermijn worden overgelegd. Uit de uitspraak volgt verder dat een (desnoods met terugwerkende kracht) verleende machtiging tot het instellen van hoger beroep volstaat. Als een dergelijke machtiging (gelet op de van toepassing zijnde mandaatregelingen: bevoegdelijk) is afgegeven is een afzonderlijk procesbesluit niet meer nodig.

Voorkomen blijft beter, maar genezen kan ook na het verstrijken van de hogerberoepstermijn

Deze Afdelingsuitspraak duidt op een beduidend meer ontspannen omgang met het procesbesluitvraagstuk nu daaruit blijkt dat procesbesluit en bevoegdheidsissues rondom het instellen van hoger beroep aan de kant van het bestuursorgaan ook na het verstrijken van de hoger beroepstermijn kunnen worden gerepareerd. Dat voorkomt slapeloze nachten aan de zijde van het bestuursorgaan en zijn gemachtigden.

Met haar uitspraak doet de Afdeling recht aan de uitvoeringspraktijk waarin de kans klein is dat technische fouten op dit punt tijdig worden opgemerkt en worden gerepareerd. Vanzelfsprekend blijft voorkomen beter dan genezen en doen bestuursorganen er goed aan om te (laten) checken of zij de bevoegdheid tot het nemen (en uitvoeren van) procesbesluiten correct binnen hun organisatie hebben uitbesteed door middel van mandaat en machtiging, bijvoorbeeld aan een lid van het bestuursorgaan of aan een ambtenaar. Door de mandaat-, volmacht- en machtigingsregeling up to date te houden, kan het bestuursorgaan snel adequaat en zonder kunst- en vliegwerk achteraf bewijs leveren van de (vertegenwoordigings-)bevoegdheid, naar aanleiding van daarover ambtshalve of door de wederpartij van het bestuursorgaan gestelde vragen.

Bron: ABRvS 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:567

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door