Terug naar overzicht
Kennis

Blogreeks klimaat- en energiebundel. Crisis- en herstelwet: een proeftuin voor de energietransitie

Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen van de EU en Nederland zullen buitengewone stappen nodig zijn; stappen die niet altijd passen binnen de geldende regels. Waar de Crisis- en herstelwet oorspronkelijk bedoeld was om de economie uit het slop te trekken, functioneert deze wet inmiddels als proeftuin voor nieuwe regels op het gebied van het omgevingsrecht, waardoor het mogelijk wordt te experimenteren met afwijkingen van bestaande regels. Een deel van de experimenten is bedoeld om de energietransitie te faciliteren. In hoofdstuk 10 van de bundel ‘2030: Het juridisch instrumentarium voor mitigatie van klimaatverandering, energietransitie en adaptie in Nederland’ wordt aan de hand van vier voorbeelden ingegaan op de vraag hoe experimenten met regelgeving kunnen bijdragen aan de energietransitie en daarmee aan het behalen van de klimaatdoelen. Wij gaan daar hieronder kort op in.

De Crisis- en herstelwet

In de overgang naar een duurzame energievoorziening worden sommige bestaande regels als belemmerend ervaren. De Crisis- en herstelwet (Chw) biedt uitkomst omdat deze wet het in bepaalde gevallen mogelijk maakt om bij wijze van experiment af te wijken van bestaande regels.

Het regeerakkoord van het (nu demissionair) kabinet benadrukt dat er meer ruimte moet worden geboden aan duurzame ontwikkeling in de fysieke leefomgeving. Dat heeft geleid tot een groeiende vraag naar experimenteerruimte. Inmiddels is de vraag zo groot dat is beslist om de procedure om experimenten aan te wijzen te versimpelen. Eerder was daarvoor een wijziging nodig van een AmvB; het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Sinds de inwerkingtreding van de Transitiewet (Stb. 2019, 216) kan worden volstaan met een wijziging van een ministeriële regeling, de Regeling uitvoering Chw. Sinds de Transitiewet geldt als voorwaarde voor het aanwijzen van een experiment dat deze moet bijdragen aan duurzame ontwikkeling en aan hetzij innovatieve ontwikkeling hetzij het versterken van de economische structuur.

Aan de hand van vier experimenten gaan de schrijvers van het hoofdstuk na welke lessen kunnen worden getrokken met betrekking tot de wijze waarop experimenten met regelgeving kunnen bijdragen aan de energietransitie.

Experiment 1: Afwijkende duur voorlopige bestemming wind- en zonneparken

De planwetgever kan bij een bestemmingsplan voorlopige bestemmingen aanwijzen (artikel 3.2 Wro). Hiermee kan een tijdelijk gebruik mogelijk worden gemaakt voorafgaand aan de verwezenlijking van de definitieve bestemming. Deze mogelijkheid biedt uitkomst bij de realisatie van wind- en zonneparken, door aan percelen grond de voorlopige bestemming windenergie toe te kennen. Op grond van de Wro kan een voorlopige bestemming echter maar ten hoogste vijf jaar gelden. Deze termijn is echter te kort om een projectontwikkelaar de zekerheid te bieden dat hij een investering in een wind- of zonnepark kan terugverdienen. De wettelijke termijn schrikt potentiële investeerders dan ook af, terwijl wind- en zonneparken hard nodig zijn om de energietransitie te kunnen realiseren.

Het experiment biedt hiervoor een oplossing: planwetgevers kunnen over de band van de Chw met een voorlopige bestemming tussen de 25 en 30 jaar experimenteren. Dit sluit aan bij de economische levensduur van een windturbine en zonnepaneel. De planwetgever behoudt hierdoor de mogelijkheden om na afloop van die termijn een nieuwe afweging te maken over de bestemming van de gronden, zonder dat de ontwikkelaar (veel) onzekerheid heeft over de economische rendabiliteit van de investering.

Een voorbeeld van dit experiment is de realisatie van het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Met toepassing van artikel 7o Besluit invoering Chw is aan deze gronden een voorlopige bestemming toegekend voor een periode van 30 jaar.

Experiment 2: Lagere energieprestatiecoëfficiënt (EPC)

Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen energiezuinig zijn, worden daar in het Bouwbesluit 2012 eisen aan gesteld. De maat voor energiezuinigheid heette voorheen de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). Met ingang van 1 januari 2021 is de EPC vervangen door de strengere BENG-eisen (Bijna Energie-Neutrale Gebouwen). Deze eisen leiden ertoe dat nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen moeten worden voorzien van een zeer goede isolatie en de meest duurzame technieken voor de opwekking van energie.

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zal tegelijkertijd met de Omgevingswet (Ow) in werking treden. Het nieuwe Besluit vervangt het Bouwbesluit 2012. Hiermee ontstaat de mogelijkheid voor gemeenten om maatwerkregels te stellen. Er kunnen dan gebieden of categorieën gebruiksfuncties worden aangewezen waarin de EPC/BENG-eisen worden aangescherpt.

Een aantal gemeenten hadden, gelet op de eigen duurzaamheidsambities, de wens al voor de inwerkingtreding van de Ow maatwerkregels te stellen en heeft zich daarom aangemeld voor een Chw-experiment.

Het experiment is neergelegd in artikel 6b en artikel 6p Besluit uitvoering Chw. In de betreffende gemeenten geldt nu al een strengere EPC voor nieuw te bouwen woningen. Bovendien krijgen gemeenten hiermee de mogelijkheid om in de eigen bouwverordening een nog lagere EPC voor te schrijven voor woningen of andere gebruiksfuncties.

Een voorbeeld van een gemeente die dit heeft toegepast is Amsterdam. Daar geldt voor alle vergunningaanvragen die vanaf 18 februari 2019 voor nieuwbouwwoningen zijn ingediend, een EPC van

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door