Terug naar overzicht
Kennis

Blogreeks klimaat- en energiebundel. Het belang van de nationale en Europese klimaatplan- en monitoringsmechanismen

Met het Akkoord van Parijs heeft de internationale gemeenschap tot doel gesteld om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden ten opzichte van het pre-industriële tijdperk – waarbij ernaar wordt gestreefd om de opwarming tot 1,5 graad te beperken. Ter uitvoering van het Akkoord van Parijs, alsook de eerder gesloten onderdelen van de United Nations Framework Convention on Climate Change, nemen de Europese Unie en zijn lidstaten maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te beperken – zo ook Nederland. Door middel van klimaatplannen kunnen op elkaar afgestemde maatregelen worden genomen om de gestelde klimaatdoelen te behalen. Dat deze voorgenomen maatregelen in de praktijk ook tot de beoogde broeikasgasemissiereductie zal leiden is op voorhand niet met zekerheid te stellen. Voor een effectieve klimaat- en energietransitie is daarom een adequaat monitorings- en evaluatiemechanisme onontbeerlijk. In dit blog wordt nader ingegaan op het belang van de Nederlandse en Europese klimaatplan- en monitoringsmechanismen.

Belang van monitoring

Ter uitvoering van het Akkoord van Parijs heeft Nederland zich in de Klimaatwet gecommitteerd aan het streven naar een broeikasgasemissiereductie in 2030 van 49% ten opzichte van 1990. Bovendien stelt Nederland zich tot doel om deze reductie in 2050 te hebben verhoogd tot 95%, waarbij de elektriciteitsproductie geheel CO2-neutraal is (artikel 2 Klimaatwet). Zodra de voorstelen uit de Europese Green Deal worden omgezet naar Europese richtlijnen en verordeningen, wordt voor de gehele Europese Unie tot doel gesteld om in 2050 klimaatneutraal te zijn (zie onze eerdere blog over de actuele ontwikkelingen op het gebied van de voorgestelde Europese klimaatdoelen).

De klimaat- en energietransitie vereist op elkaar afgestemde maatregelen die door overheden, het bedrijfsleven, burgers en milieuorganisaties moeten worden uitgevoerd. Door deze maatregelen in een klimaatplan vast te leggen, kunnen beleidsmakers – maar ook maatschappelijke organisaties – de te verwachten broeikasgasemissiereductie van deze maatregelen berekenen. Door de voortgang van de klimaat- en energietransitie te monitoren, kan tussentijds worden geëvalueerd in hoeverre de maatregelen het beoogde effect sorteren – en kan, waar nodig, worden bijgestuurd.

Het belang van de klimaatmonitoringsmechanismen wordt in Nederland bovendien versterkt doordat het Nederlandse klimaatbeleid voor een deel is vormgegeven door niet-bindende afspraken tussen publieke en private partijen, zoals het Klimaatakkoord uit 2019. Door het sluiten van niet-bindende afspraken kan sneller op (technologische) ontwikkelingen en innovaties worden gereageerd dan bij bindende wetgeving (zie: Ranchordás, S., 2015, in: Jurimetrics. 55, p. 201-224 (link)), waardoor een slagvaardiger klimaatbeleid kan worden gevoerd. Maar door het niet-bindende karakter van (een deel) van het Nederlandse klimaatbeleid is een adequaat monitoringsmechanisme van essentieel belang om te waarborgen dat de geplande maatregelen ook worden uitgevoerd. Zonder een monitoringsmechanisme is het immers niet mogelijk om inzicht te krijgen in de voortgang die door de maatschappelijke partijen wordt gemaakt bij de uitvoer van de overeengekomen maatregelen.

Uit het voorgaande volgt dat de nationale en Europese klimaatplan- en monitoringsmechanismen van belang zijn voor een succesvolle klimaat- en energietransitie.

Wilt u meer weten over de nationale en Europese klimaatplan- en monitoringsmechanismen? Sanne Akerboom (Universiteit Utrecht) en Mathijs Peters (Pels Rijcken) schreven hierover een bijdrage in de recent verschenen bundel ‘2030: Het juridische instrumentarium voor mitigatie van klimaatverandering, energietransitie en adaptatie in Nederland’. De bijdrage is opvraagbaar bij de auteurs van dit blog.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door