Terug naar overzicht
Kennis

Afdeling laat zich uit over bewijslastverdeling bij exceptieve toetsing aan de Dienstenrichtlijn

In zaken over de weigering van een vergunning door een gemeente op grond van het bestemmingsplan wordt steeds vaker betoogd dat het bestemmingsplan als zodanig in strijd zou zijn met de Dienstenrichtlijn. Bij een dergelijke ‘exceptieve toetsing’ aan de Dienstenrichtlijn, hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sinds kort het ‘evidentie-criterium’. Alleen in geval van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn zal de Afdeling een planregel onverbindend verklaren of buiten toepassing laten. Uit de rechtspraak blijkt dat aan het evidentie-criterium niet snel is voldaan.

Het leerstuk van de exceptieve toetsing

Het komt regelmatig voor dat in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een vergunning (of de weigering daarvan) de geldigheid van het toepasselijke bestemmingsplan wordt aangevochten. In dat geval dient het bestemmingsplan aan hogere regelgeving te worden getoetst en is er sprake van een exceptieve toetsing. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling rust er bij een exceptieve toetsing een zwaardere bewijslast op de belanghebbenden in vergelijking met de situatie waarin rechtstreeks tegen het bestemmingsplan wordt opgekomen en geldt het evidentie-criterium. In twee recente uitspraken verduidelijkt de Afdeling haar standpunt ten aanzien van de exceptieve toetsing aan de Dienstenrichtlijn.

Het evidentie-criterium

De Afdeling past in haar uitspraak van 19 februari jl. in een procedure over een exceptieve toetsing van een bestemmingsplan aan de Dienstenrichtlijn voor het eerst het evidentie-criterium toe: alleen in geval van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn, zal de Afdeling een bestemmingsplanregel onverbindend verklaren of buiten toepassing laten. Dat is het geval als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet. Een onderbouwing aan de zijde van de gemeente gaat derhalve niet zo ver als in de zaak Appingedam op grond waarvan de gemeente de evenredigheid van een beperking van de rechten van vrij verkeer aan de hand van een analyse met specifieke gegevens moet onderbouwen. In haar uitspraak van 25 maart jl. bevestigt de Afdeling dat aan het evidentie-criterium niet snel zal zijn voldaan.

Het Europese gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dienen nationale procedureregels in zaken waarin Unierecht geldend wordt gemaakt te voldoen aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. De Afdeling benadrukt dat rechters bestemmingsplanregels op dezelfde wijze exceptief toetsen aan Unierecht als aan hoger nationaal en internationaal recht, zodat van strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel geen sprake is. Daarnaast is de Afdeling van oordeel dat de exceptieve toetsing van bestemmingsplanregels voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van effectieve rechtsbescherming. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het bestemmingsplan zelf appellabel is – exceptieve toetsing komt dan ook pas aan de orde als het plan onherroepelijk is geworden.

De Afdeling gaat ook in op het rechtszekerheidsbeginsel en de bescherming van belangen van derden. De aangewezen rechtsgang om het bestemmingsplan te laten toetsen aan de Dienstenrichtlijn is om bij de gemeenteraad een verzoek tot herziening van het plan in te dienen. Zolang een bestemmingsplan niet is herzien, mogen aanvragers en derden in beginsel afgaan op wat er in het bestemmingsplan staat. De Afdeling concludeert dat deze wijze van exceptieve toetsing het voor appellanten niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om hun rechten op grond van de Dienstenrichtlijn te effectueren. 

Bronnen:

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door