Terug naar overzicht
Kennis

Verminderde zichtbaarheid winkelpand

De Afdeling oordeelt in deze zaak dat een verminderde zichtbaarheid vanaf de openbare weg niet leidt tot een planologische verslechtering, zolang de winkel zichtbaar blijft. Dit is alleen anders wanneer het gaat om een winkel die het met name moet hebben van impulsaankopen.

Wat speelde?

Appellante heeft om nadeelcompensatie verzocht, omdat zij meent dat haar winkel als gevolg van het Tracébesluit minder zichtbaar is geworden wat tot waardevermindering heeft geleid. Ook stelt appellante dat de overlast in verband met de uitvoeringswerkzaamheden tot tijdelijke inkomensderving heeft geleid.

Appellante is eigenaar en exploitant van een elektronicawinkel in een pand nabij de rivier de Waal in Rosmalen. In 2008 wordt het Tracébesluit Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen genomen ten behoeve van het graven van een nieuwe vaarwegverbinding, het bouwen van een brug over de vaarwegverbinding en het verleggen van het tracé van de Graafsebaan over de brug. Hierdoor is volgens appellante het pand minder zichtbaar geworden voor passanten en heeft zij overlast ondervonden van de uitvoeringswerkzaamheden wat voor inkomensderving heeft gezorgd.

De minister heeft het verzoek behandeld met toepassing van de Beleidsregel Nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 en heeft op grond van artikel 15 een commissie benoemd om het verzoek te beoordelen. Te Rijdt als enig lid van de commissie oordeelde in zijn advies dat de planologische verslechtering per saldo niet tot een slechtere zichtlocatie van het pand heeft geleid. Het is weliswaar zo dat het pand na de verlegging verder komt te liggen van de Graafsebaan, maar het tankstation dat pal voor het pand was gelegen is als gevolg van de planologische verandering verdwenen. Daarbij komt dat het oude bestemmingsplan binnen het bebouwingsvlak gebouwen en bouwwerken met een maximale goothoogte van respectievelijk 4 meter en 5,5 meter toestond. Ook was het onder het oude planologisch regime mogelijk de Graafsebaan of de parallelweg te verdiepen of verhogen, waardoor het zicht nog meer belemmerd kon worden of zelfs zou verdwijnen.

Daarnaast oordeelde Te Rijdt dat er geen causaal verband bestaat tussen het Tracébesluit en de gestelde waardevermindering. De andere vestigingen waarvan de winkel deel uitmaakt hadden in dezelfde periode ook te maken met een afname van de omzet. De omzet van de onderhavige winkel daalt weliswaar sterker dan die van vergelijkbare vestigingen, maar bezien over twee periodes ligt het verschil in omzetontwikkeling in dezelfde orde van grootte als vergelijkbare vestigingen. Het is dan ook niet aannemelijk dat er een causaal verband bestaat tussen de omzetderving en de uitvoeringswerkzaamheden.

De minister wees op basis van het advies het verzoek om nadeelcompensatie af. Appellante was het daar niet mee eens. Zij stelt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd daar Te Rijdt heeft nagelaten uit te werken in hoeverre het tankstation daadwerkelijk het zicht op het pand kon ontnemen of beperken. Ook miskent Te Rijdt dat het pand ook zichtbaar was vanaf de parallelweg die door het Tracébesluit is komen te vervallen. Appellante is het daarnaast niet eens met het standpunt dat er geen causaal verband bestaat tussen de omzetdaling en de werkzaamheden. 

Hoe oordeelt de Afdeling?

De Afdeling oordeelt dat in beginsel een kort moment van zicht vanaf de openbare weg voor passanten al voldoende is om op de hoogte te zijn van het bestaan van een daarin gevestigde winkel. Dat ligt anders wanneer het assortiment van de winkel passanten kan verleiden om impulsaankopen te doen. Als voorbeeld noemt de Afdeling  een snackbar – bij dat soort winkels kan de duur van de zichtbaarheid van belang zijn. Want hoe eerder de winkel in zicht komt, hoe meer tijd passanten hebben om bij deze winkel te stoppen en impulsaankopen te doen. Voor een elektronicawinkel is het niet aannemelijk dat impulsaankopen worden gedaan. Nu appellant niet heeft betwist dat de winkel nog steeds zichtbaar is, maar alleen dat de winkel minder zichtbaar is, heeft het Tracébesluit volgens de Afdeling niet tot een planologische verslechtering geleid. Vanwege het voorgaande acht de Afdeling het niet relevant dat Te Rijdt in zijn advies niet concreet heeft uitgewerkt in hoeverre het tankstation onder het huidige regime het zicht op het pand kon ontnemen of beperken.

Ten aanzien van het causaal verband oordeelt de Afdeling dat het advies van Te Rijdt inzicht biedt in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat geen causaal verband bestaat tussen de omzetdaling van de vestiging Rosmalen en de uitvoeringswerkzaamheden. Om causaal verband aan te nemen, moet er een duidelijk grotere omzetdaling bij de vestiging Rosmalen te zien zijn in de periode waarin de werkzaamheden hebben plaatsgevonden ten opzichte van de andere vestigingen. Dat moet worden vergeleken met het verschil in de omzetontwikkeling van de vestiging Rosmalen en de andere vestigingen in de periode voor de werkzaamheden. Uit de trend die uit die vergelijking waarneembaar is kan in dit geval niet het vereiste causale verband worden vastgesteld.  

Wat kunt u met de zaak?

Uit deze zaak blijkt dat een verminderde zichtbaarheid vanaf de openbare weg niet leidt tot een planologische verslechtering, zolang de winkel zichtbaar blijft. Dit is alleen anders wanneer het gaat om een winkel die het met name moet hebben van impulsaankopen. Bij dat soort winkels is de duur van de zichtbaarheid van belang. Hoe eerder passanten de winkel zien, des te langer hebben zij de tijd om in de verleiding te komen om impulsaankopen te doen.

ABRvS 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1477

Deze publicatie maakte onderdeel uit van de nieuwsbrief bestuursrechtelijke schadevergoeding juni 2022.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door