Terug naar overzicht
Kennis

Afdeling bestuursrechtspraak toetst vergunningvoorschrift aan evidentiecriterium bij uitspraak over verkoop van LPG door tankstation

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 12 januari 2022 geoordeeld dat de gemeente Purmerend in de omgevingsvergunning voor een tankstation voor de verkoop van LPG niet had mogen bepalen dat dit tankstation moet worden bevoorraad door tankwagens met hittewerende bekleding. Dit voorschrift is namelijk in strijd met Richtlijn 2008/68/EG die voorschriften stelt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. De rechtsgevolgen van het aangevochten bestemmingsplan blijven wel in stand. De einduitspraken zijn interessant vanwege de toetsing en toepassing van het evidentiecriterium, dat voorschrijft dat in een handhavingsprocedure de rechtmatigheid van een vergunningvoorschrift alleen kan worden aangetast als het evident in strijd is met hoger recht. Volgens de Afdeling wordt aan die maatstaf voldaan.

Wat speelde er?

De zaak bestaat uit twee procedures en gaat over de verkoop van LPG door een tankstation in Purmerend. De eerste procedure gaat over het verzoek van een omwonende aan het college van burgemeesters en wethouders om de omgevingsvergunning voor de verkoop van LPG in te trekken vanwege de risico’s die de verkoop zou opleveren voor de veiligheid van nabijgelegen woningen. Het college besloot de vergunning niet in te trekken, maar legde het tankstation wel twee veiligheidsvoorschriften op. Deze voorschriften hielden in dat voor het bevoorraden van het tankstation met LPG alleen tankwagens mochten worden gebruikt die hittewerende bekleding hadden en een verbeterde vulslang gebruikten. Volgens het college zou de kans op een calamiteit door deze voorschriften afnemen. De tweede procedure gaat over de vaststelling van het geactualiseerde bestemmingsplan waarin de bestemming van het bestaande tankstation (opnieuw) werd vastgelegd.

Procedures in beroep

De omwonende heeft beroep ingesteld tegen de voorschriften en tegen het bestemmingsplan. Hoewel de omwonende geen bezwaar heeft tegen de voorschriften als zodanig, is zij van mening dat de naleving van de voorschriften niet effectief kan worden afgedwongen. De voorschriften zijn volgens de omwonende in strijd met Richtlijn 2008/68/EG en het vrij verkeer van goederen. De omwonende wil daarom dat de Afdeling de twee voorschriften vernietigt.

Tussenuitspraak Afdeling

De Afdeling heeft in de uitspraak van 30 januari 2019 geoordeeld dat de appellante zich in de procedure over de omgevingsvergunning gelet op het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a Awb) niet direct op de genoemde bepalingen kan beroepen, maar wel op de rechtsnorm dat een vergunning geen voorschriften mag bevatten die niet handhaafbaar zijn. Als de voorschriften niet handhaafbaar zijn, kan de rechtmatigheid daarvan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling in het kader van een handhavingsprocedure alleen worden aangetast, wanneer het op basis van summier onderzoek evident is dat het voorschrift niet had mogen worden gesteld, omdat het in strijd is met hoger recht. Dit is het evidentiecriterium.

Prejudiciële vragen

De Afdeling heeft over dit criterium prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. De Afdeling wilde weten of het veiligheidsvoorschrift met betrekking tot hittewerende bekleding in overeenstemming is met Richtlijn 2008/68/EG. Ook vroeg de Afdeling of het evidentiecriterium verenigbaar is met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Dat beginsel schrijft voor dat de uitoefening van door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt.

Arrest Hof van Justitie

Volgens het Hof is het vergunningsvoorschrift in strijd met artikel 5 lid 1 van de richtlijn. Lidstaten mogen geen strengere constructievoorschriften toepassen dan de voorschriften die uitdrukkelijk in de bijlage van de richtlijn zijn opgenomen. Verder oordeelt het Hof dat het evidentiecriterium niet met het doeltreffendheidsbeginsel in strijd is, zolang het criterium niet zo streng wordt toegepast dat de mogelijkheid om het vergunningsvoorschrift nietig te laten verklaren “in feite louter fictief” wordt.

Einduitspraken Afdeling

In de einduitspraak over de omgevingsvergunning oordeelt de Afdeling dat het vergunningsvoorschrift niet handhaafbaar is, gelet op het oordeel het Hof over de strijdigheid met artikel 5 lid 1 van de richtlijn. Kennelijk is de Afdeling van oordeel dat de beantwoording van het Hof volstaat voor de beantwoording van de vraag of het voorschrift evident niet had mogen worden gesteld.

Ondanks dat het vergunningsvoorschrift niet had mogen worden gesteld, kan het tankstation doorgaan met de verkoop van LPG. In de procedure over het bestemmingsplan heeft de gemeente op basis van onderzoek namelijk aangetoond dat de verkoop van LPG door het Purmerendse tankstation veilig is, ook zonder het vergunningsvoorschrift over hittewerende bekleding. De rechtsgevolgen van het bestemmingsplan blijven daarom in stand.

Bron: Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:11 en ECLI:NL:RVS:2022:72.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door