Terug naar overzicht
Kennis

Aanmaning mogelijk voordat de termijn uit de invorderingsbeschikking is verstreken

De in een invorderingsbeschikking gestelde betaaltermijn doet geen nieuwe termijn lopen waarbinnen de schuldenaar kan betalen zonder in verzuim te zijn, aldus de uitspraak van 19 april jl. van de Afdeling bestuursrechtspraak. Aanmaning is daarom mogelijk voor de verstrijking van de betaaltermijn die wordt gesteld in de invorderingsbeschikking, mits de schuldenaar al in verzuim was.

Het geschil

Het college van Maastricht heeft bij besluit een last onder dwangsom opgelegd aan appellante wegens het handelen in strijd met de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer vanwege het niet opschonen van een terrein in Maastricht. Bij dit besluit is appellante gelast om binnen twee weken na inwerkingtreding aan het besluit te voldoen. Voor elke week dat geconstateerd wordt dat niet aan de last wordt voldaan, wordt een dwangsom van € 20.000- verbeurd. Bij het besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat niet tijdig aan de last is voldaan en dat op 16 december 2014 een dwangsom van € 20.000 is verbeurd. Bij dit besluit heeft het college besloten tot invordering van deze verbeurde dwangsom over te gaan. In hoger beroep is niet in geschil dat appellante een dwangsom van € 20.000 heeft verbeurd, het geschil betreft de getroffen invorderingsmaatregelen. Appellant voert onder meer aan dat het college niet bevoegd was tot aanmaning over te gaan, omdat de in de invorderingsbeschikking gestelde betaaltermijn nog niet was verstreken en zij derhalve nog niet in verzuim was.

Hoe zat het ook alweer?

Een dwangsom verbeurt van rechtswege op het moment dat de last wordt overtreden, deze dwangsom dient binnen de termijn van zes weken te worden betaald, aldus art. 5:33 Awb. Volgens art. 4:97 Awb treedt de schuldenaar in verzuim als er niet wordt betaald binnen deze zes weken. Als het bestuursorgaan na het verstrijken van deze termijn de schuldenaar wil aanmanen tot betaling van de dwangsom volgt uit art 5:37 Awb dat het bestuursorgaan ten eerste dient te beslissen bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, ook wel de invorderingsbeschikking. De wet bepaalt niet wanneer deze beschikking genomen dient te worden, de wet laat toe om dit voor of na de  termijn van zes weken als bedoeld in artikel 4:97 Awb te doen. Als het bestuursorgaan echter daadwerkelijk wil overgaan tot aanmaning, dient de schuldenaar volgens art. 4:112 Awb wel in verzuim te zijn. Het intreden van het verzuim wordt betwist door appellante.

Conclusie Afdeling

De Afdeling komt tot een heldere conclusie. Ondanks het feit dat de invorderingsbeschikking een betaaltermijn stelt, betekent deze termijn niet dat er een nieuwe termijn begint te lopen waarbinnen de schuldenaar in de mogelijkheid wordt gebracht om te betalen zonder in verzuim te zijn. Dit verzuim is immers al van rechtswege ingetreden na het verstrijken van de zes weken als bedoeld in art. 4:97 Awb. De betaaltermijn die is gegeven in de invorderingsbeschikking brengt hierin geen verandering. De Afdeling concludeert dat het systeem van de Awb er niet aan in de weg staat om een schuldenaar die in verzuim is, aan te manen terwijl de in een invorderingsbeschikking gestelde betaaltermijn nog niet is verstreken, het verzuim is immers reeds ingetreden.

Wat betekent dit in de praktijk?

Kortom, de Awb schrijft wel voor dat een aanmaning een invorderingsbeschikking moet voorafgaan, maar de Awb schrijft niet voor dat de gestelde betaaltermijn in de invorderingsbeschikking moet zijn verlopen voordat de aanmaning kan worden verstuurd. Deze conclusie van de Afdeling is niet opmerkelijk binnen de systematiek van de Awb, maar toont wel aan dat er oplettendheid is geboden indien er een betaaltermijn wordt gesteld in een invorderingsbeschikking.

Bron: ABRvS 19 april 2017, nr. 201602714/1/A1.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door