Terug naar overzicht
Kennis

Concreet zicht op legalisatie, handhaving toch evenredig

De beginselplicht tot handhaving brengt mee dat indien een activiteit illegaal is, de overheid daar in principe tegen dient op te treden. Een van de uitzonderingen op deze regel is als de activiteit op korte termijn legaal zal worden. Handhaving heeft dan niet zoveel zin meer. Het bevoegd gezag is bij (gedeeltelijk) zicht op legalisatie echter niet zonder meer verplicht om af te zien van handhavend optreden, zo blijkt uit eerdere rechtspraak van de Afdeling. In zo’n situatie zal het nog altijd een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen waarbij het de omstandigheden van het specifieke geval meeweegt. Dat handhaving dan toch evenredig kan blijken, laat een uitspraak van 15 juni 2022 zien.

Waar ging de zaak over?

Onderwerp van geschil is een eendenslachterij in het Gelderse Ermelo. Volgens omwonenden is het bedrijf jarenlang, in strijd met de omgevingsvergunning, bezig geweest met het vergroten van de bedrijfsactiviteiten, het verruimen van de werktijden, het uitbreiden van verkeersbewegingen en het opschroeven van de geluidsproductie. De rechtbank vernietigt de lasten en geeft het college de kans een nieuw besluit te nemen. Daar geeft het college gevolg aan. De eendenslachterij moet binnen zes maanden stoppen met het gebruik van meerdere delen van het terrein, een houtsingel aanleggen, de geluidsproductie omlaag brengen en minder verkeer af en aan laten rijden. Ook mag niet langer vóór 7.00 uur begonnen worden met werken en mag niet langer dan tot na 16.00 uur worden doorgegaan.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bekijkt in deze zaak of er, ondanks dat voor een deel van de activiteiten, vanwege een vergunningaanvraag en een daarop volgende ontwerp omgevingsvergunning, concreet zicht op legalisatie bestaat, toch handhavend dient te worden opgetreden.

Oordeel voorzieningenrechter

Het antwoord op die vraag luidt bevestigend. Ondanks dat de vergunningprocedure zich al in een vergevorderd stadium bevindt acht de voorzieningenrechter handhaving ten aanzien van de werktijden en verkeersbewegingen in dit geval evenredig. Enerzijds omdat er geen volledig concreet zicht op legalisatie bestaat, anderzijds omdat de illegale situatie al een lange voorgeschiedenis kent en omwonenden zodoende al jaren onder meer geluid-, stank- en stofhinder ervaren. Het college mocht dan ook doorslaggevend gewicht toekennen aan de belangen van omwonenden en deze zwaarder laten wegen dan de belangen van de eendenslachterij bij het mogen voortzetten daarvan. Daarbij is volgens de voorzieningenrechter mede van belang dat de eendenslachterij gelegen is in een gebied waar een combinatie van wonen en werken is toegestaan en waarbij in beginsel slechts ruimte is voor relatief kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Bovendien heeft het bedrijf er zelf voor gekozen om zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning haar bedrijfsactiviteiten uit te breiden, waarvan het bedrijf jarenlang heeft geprofiteerd. Verder duurt de vergunningprocedure inmiddels al meer dan 4 jaar en een besluit op de aanvraag nog enige tijd duren. Gezien al deze omstandigheden mocht het college dan ook handhavend optreden tegen het afwijken van de vergunde werktijden en verkeersbewegingen.

De begunstigingstermijn van 2 weken is volgens de voorzieningenrechter aan de korte kant om aan de lasten over de geluidsproductie, werktijden en verkeersbewegingen te voldoen. Daarom wijzigt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening die hij in een eerdere uitspraak had getroffen. Daarbij past de voorzieningenrechter ambtshalve artikel 8:87 lid 1 Awb toe. Het besluit waarbij de lasten zijn opgelegd wordt met terugwerkende kracht geschorst tot en met 15 augustus 2022, voor zover bij dat besluit lasten zijn opgelegd over de geluidsproductie, de werktijden en de verkeersbewegingen. Voor de overige lasten wordt de eerder getroffen voorziening opgeheven.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door