Terug naar overzicht
Kennis

De plaatsgebonden pipowagen

stop-or-else-1-1445262-640x480Op 13 april jl. heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uitspraak gewezen over de vraag of een pipowagen onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een bouwwerk. Deze uitspraak is in lijn met de bestendige jurisprudentie van de Afdeling op dit punt.Het begrip ‘bouwwerk’

Op grond van artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder a Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Het begrip ‘bouwwerk’ is niet omschreven in de Wabo. In de jurisprudentie wordt voor de uitleg van dit begrip aansluiting gezocht bij de definitie als gegeven in de modelbouwverordening. Daarin is het begrip omschreven als ‘elke constructie van enige omvang van  hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.’ Uitgaande van deze omschrijving wordt het begrip door de bestuursrechter al een aantal jaren afgebakend aan de hand van drie criteria: (1) is sprake van een bouwconstructie? (2) heeft de constructie een zekere omvang? (3) heeft de constructie een plaatsgebonden karakter? Hieruit blijkt dat bij de  beoordeling of sprake is van een bouwwerk niet alleen dient te worden bezien op welke wijze het object met de grond is verbonden, maar moet ook worden gekeken naar de aard en hoedanigheid van het object en het gebruik dat ervan wordt gemaakt.

Op basis van deze criteria is de Afdeling voorheen tot het oordeel gekomen dat een vrachtwagen die als opslagplaats wordt gebruikt maar die kennelijk niet bedoeld is om langere tijd ter plaatse te functioneren, niet als bouwwerk kan worden aangemerkt (ABRvS 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX2081). Daarentegen kan een woonboot die bedoeld is om ter plaatse als woning  te functioneren wel als bouwwerk worden aangemerkt (ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331)

Wat was er aan de hand

Op het perceel van X staat een pipowagen. Volgens het college moet de pipowagen worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van de Wabo. In beginsel is voor het oprichten van een bouwwerk een omgevingsvergunning vereist. Omdat X daar niet over beschikt, besluit het college handhavend op te treden.

X tekent tevergeefs bezwaar en beroep aan tegen dit besluit en stelt vervolgens hoger beroep in. Volgens X is de wagen niet aan te merken als een bouwwerk. Daartoe voert X aan dat zij de wagen niet heeft gebouwd en dat deze niet bedoeld is om langere tijd op dezelfde plaats te functioneren, zodat deze geen plaatsgebonden karakter heeft.

Oordeel Afdeling

De Afdeling gaat niet mee in het betoog van X. Volgens de Afdeling kunnen mobiele objecten zoals een pipowagen onder omstandigheden worden aangemerkt als bouwwerk.

Daarbij acht de Afdeling in het onderhavige geval van belang dat de wagen sinds 2012 dezelfde plaats op het perceel had ingenomen. Uit de opmerking van X dat de wagen dient als schuilgelegenheid en als speelplaats voor kinderen, maakt de Afdeling verder op dat de wagen bedoeld was om ter plaatse te functioneren. Dat de wagen verplaatsbaar is en niet door X zelf zou zijn gebouwd, doet aan dat oordeel niet af. Op grond van artikel 1.1 lid 1 Wabo wordt onder bouwen immers tevens het plaatsen verstaan.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat voor de pipowagen een omgevingsvergunning was vereist en dat het college bevoegd was om daartegen handhavend op te reden.

Belang

Deze uitspraak verduidelijkt dat bij de beoordeling van de vraag of een object moet worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van de Wabo, een belangrijk accent ligt op het criterium van plaatsgebondenheid. In het onderhavige geval gaat de Afdeling niet apart in op de vraag of sprake is van een constructie van een zekere omvang, maar wordt doorslaggevend geacht dat de wagen permanent aanwezig is en bedoeld is voor gebruik ter plaatse.

Bron: ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:988

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door