Terug naar overzicht
Kennis

Geen vergunningplicht bij aanleg ondergrondse elektriciteitsverbindingen

De ondergrond herbergt nutsvoorzieningen zoals gasleidingen, elektriciteits- en glasvezelkabels, waterleidingen en rioolbuizen. Om pijpleidingen en kabels aan te leggen op plaatsen waar het bestemmingsplan dat niet toestaat, is in beginsel een omgevingsvergunning strijdig gebruik op grond van artikel 2.1. lid 1, onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nodig. Een recente uitspraak van de voorzieningenrechter verduidelijkt de inkadering van deze vergunningplicht waar het gaat om leidingen voor openbare (nuts)voorzieningen. De voorzieningenrechter concludeert in deze zaak dat voor ondergrondse leidingstelsels, waaronder ook elektriciteitsverbindingen, geen vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a en c Wabo geldt.

Wat speelde in deze zaak?

In de uitspraak van 5 augustus jl. staat de aanleg van circa 3,5 kilometer aan 20 kV-elektriciteitsverbinding centraal. Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Hollands Kroon verleent een nutsbedrijf voor deze werkzaamheden een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, lid 1, aanhef en onder b van de Wabo. De geplande elektriciteitsverbinding doorkruist verschillende percelen. De eigenaren van de betreffende percelen zien de open ontgraving, gestuurde boringen en andere voor de aanleg noodzakelijke activiteiten niet zitten en maken bezwaar tegen het beluit, waarbij zij meteen een verzoek tot handhaving indienen. Ook vragen zij de voorzieningenrechter de verleende omgevingsvergunning te schorsen.

Volgens de eigenaren ontbreekt de vereiste omgevingsvergunning strijdig gebruik, die nodig is nu de aanleg van de elektriciteitsverbinding voor een deel van de percelen niet strookt met de daar geldende bestemmingen ‘Verkeer’, ‘Agrarisch met waarden’ en ‘Wonen’. Het college stelt zich echter op het standpunt dat voor de aanleg van de elektriciteitsverbinding geen omgevingsvergunning strijdig gebruik is vereist. Volgens het college valt de 20 kV-elektriciteitsverbinding namelijk onder de categorie ondergrondse buis- en leidingstelsels ten behoeve van infrastructurele of openbare (nuts)voorziening, die gelet op artikel 2, aanhef en onder achttien en onder d van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningvrij zijn. Dat zou concreet betekenen dat voor deze activiteit geen omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1, onder a of c is vereist. Wel is een vergunning nodig op grond van artikel 2.1 lid 1 onder b Wabo, omdat in de planregels met betrekking tot de bestemming Agrarisch een vergunningsregeling voor het uitvoeren van werken is opgenomen. Deze vergunning is ook verleend.

Hoe oordeelt de voorzieningenrechter?

De voorzieningenrechter stelt het college in het gelijk en oordeelt dat voor de aanleg van ondergrondse leidingstelsels, in dit geval de 20 kV-elektriciteitsverbinding, geen omgevingsvergunning is vereist. De elektriciteitsverbindingen vallen wel degelijk onder artikel 2, aanhef en onder achttien en onder d van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

In onderdeel achttien wordt weliswaar primair aangesloten bij bouwwerken – en de hier relevante ondergrondse leidingen zijn geen bouwwerk – , toch zijn in onderdeel d ook ondergrondse leidingen vergunningsvrij verklaard zonder een beperking tot ondergrondse leidingen die tevens bouwwerk zijn. Dit uitgangspunt wordt ondersteund door de Nota van toelichting bij het Bor, onder meer waar de besluitgever toelicht dat ook grotere doorvoerleidingen vergunningvrij (kunnen) zijn. Ondanks de moeizame formulering van de aanhef van onderdeel 18, heeft de besluitgever volgens de voorzieningenrechter bedoeld de vergunningplicht in verband met bestemmingsplanregels voor ondergrondse leidingstelsels geheel uit te sluiten. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek tot voorlopige voorziening met betrekking tot zowel de verleende omgevingsvergunning als de afwijzing van het handhavingsverzoek af. Er geldt kortom naar (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter geen vergunningsplicht voor elektriciteitsverbindingen, ongeacht of de aanleg op die locatie afwijkt van het daar geldende bestemmingsplan. Wellicht leidt dit nog tot een bodemprocedure.

Lees hier de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland van 5 augustus jl. (ECLI:NL:RBNHO:2021:6584).

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door