Terug naar overzicht
Kennis

Hoge Raad wijst langverwachte arresten over eliminatie van bestemmingsplannen in het onteigeningsrecht

stadsontwikkelingDe Hoge Raad heeft op 15 januari 2016 vijf arresten gewezen in het kader van eliminatie van bestemmingsplannen voor het werk op grond van artikel 40c Onteigeningswet. In deze arresten keert de Hoge Raad terug naar Markus-Matser, op basis waarvan alleen concrete plannen die ten grondslag liggen aan het werk moeten worden geëlimineerd bij de bepaling van de waarde van het onteigende. De Hoge Raad geeft nadere handvatten om te beoordelen welke plannen als ‘concreet plan’ moet worden aangemerkt.

Juridische kaders

De Hoge Raad heeft de volgende juridische uitgangspunten geformuleerd die moeten worden gehanteerd bij de afweging of een bestemmingsplan moet worden geëlimineerd:

  • Art. 40c Ow dient terughoudend te worden toegepast;
  • De vraag of eliminatie van een door het geldende bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming moet plaatsvinden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eliminatie kan niet in abstracto worden voorgeschreven of uitgesloten in bepaalde categorieën van gevallen, bijvoorbeeld voor een bepaald soort plannen.
  • Voor eliminatie is alleen plaats indien het werk waarvoor wordt onteigend tot stand wordt gebracht voor rekening en risico van rechtspersonen als bedoeld in art. 2:1 lid 1 en 2 BW (‘overheidswerken’).
  • De omstandigheid dat de overheid voorbereidingswerkzaamheden uitvoert ten behoeve van een werk waarvoor wordt onteigend, brengt nog niet mee dat dit werk als een overheidswerk dient te worden aangemerkt.
Concreet plan

De rechtspraktijk worstelde sinds het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2010 met name met de invulling van de term ‘concreet plan’. Uit dat arrest volgt dat de waardevermeerderende of waardeverminderende invloed van een bestemmingsplan bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende buiten beschouwing moet blijven, voor zover de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand concreet plan voor een werk ter plaatse van onder meer het onteigende (als bedoeld in art. 40c onder 3° Ow) en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven om de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt, mogelijk te maken.

Dit arrest leek een wijziging ten aanzien van de lijn van Markus-Matser, waarin was geoordeeld dat niet langer vereist was dat de bestemming is opgelegd door de Provincie of het Rijk. In diverse procedures werden ook de aan het betreffende plannen voorafgaand plannen geëlimineerd die hadden bijgedragen aan het bestemmingsplan. In drie van de vijf uitspraken die de aanleiding vormden voor de arresten van 15 januari 2016 werden plannen die een vaag en toekomstig karakter hadden en nog nadere uitwerking behoefden geëlimineerd.

In de arresten van 15 januari 2016 stelt de Hoge Raad dat het arrest van 9 juli 2010 geen wijziging van de bestaande rechtspraak bevatte en dat bij de bepaling van de werkelijke waarde van de onteigende zaak, en als uitzondering op het uitgangspunt dat alle waardebepalende omstandigheden moeten worden meegewogen, het bestemmingsplan wordt geëlimineerd voor zover dit niet zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld, maar slechts ertoe strekt de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt, mogelijk maakt. Als gevolg daarvan mogen plannen die een vaag en toekomstig karakter hebben niet worden geëlimineerd.

Voor een meer uitgebreide uiteenzetting van deze arresten, zie "Alleen vigerende bestemmingsplan kan voor eliminatie in aanmerking komen bij waardebepaling onteigende"  en "Eliminatieregel van art. 40c Onteigeningswet moet terughoudend worden toegepast".

Mocht u vragen over eliminatie of onteigeningen in het algemeen, neemt u dan contact op met Jelmer Procee, Monique Rus - van der Velde of Lisette Baljon.

Bron: HR 15 januari 2016 ECLI:NL:HR:2016:25

Zie ook van dezelfde datum: ECLI:NL:HR:2016:24, ECLI:NL:HR:2016:66, ECLI:NL:HR:2016:67, ECLI:NL:HR:2016:68

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door