Terug naar overzicht
Kennis

Hypotheekhouder is geen belanghebbende in de administratieve onteigeningsprocedure

  •  · 
flat in twee handenHet Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 5 augustus 2014 bepaald dat een hypotheekhouder geen belanghebbende is de administratieve onteigeningsprocedure. Deze uitspraak is het vervolg op het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 augustus 2013, dat tot veel onzekerheid heeft geleid, omdat de Kroon alsnog weigerde om de hypotheekhouder als belanghebbende te zien (eerder besproken op dit blog). Het hof denkt anders over de kwestie en vernietigt het vonnis van de rechtbank. 

Casus

In deze zaak speelde de (opmerkelijke) onteigening van twee appartementsrechten, die aan een vader en een zoon toebehoorden. Op deze appartementsrechten was ten behoeve van de vader een recht van hypotheek gevestigd. Deze voerde aan dat hij in de administratieve onteigeningsprocedure geen zienswijzen naar voren had kunnen brengen, omdat hij geen persoonlijke kennisgeving had ontvangen van het ontwerp-onteigeningsbesluit en de terinzagelegging ervan. De gemeente Leusden stelde dat de hypotheekhouder geen belanghebbende in de zin van artikel 3 van de Onteigeningswet is, waardoor de gemeente niet verplicht was om hem persoonlijk op de hoogte te stellen van de onteigening.

Rechtbank

De rechtbank oordeelde dat volgens vaste jurisprudentie van de Kroon onder belanghebbenden in de administratieve procedure wordt verstaan 'degene die zakelijke of persoonlijke rechten op de in het onteigeningsplan begrepen gronden kan doen gelden dan wel uit andere hoofde door zo’n plan als zodanig in zijn belang wordt getroffen'. Daarom diende volgens de rechtbank de Kroon een hypotheekhouder op grond van artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit tot aanwijzing ter onteigening en van de mogelijkheid voor belanghebbenden om daartegen zienswijzen in te brengen.

Gerechtshof

Het hof is het niet met het oordeel van de rechtbank eens. Aan dit oordeel legt het hof ten grondslag dat de hypotheekhouder een onvoldoende belang heeft, gezien de zekerheid die artikel 43, eerste lid, van de Onteigeningswet biedt. De hypotheekhouder behoudt ingevolge dit artikel hoe dan ook dezelfde mate van zekerheid en kan in de gerechtelijke procedure meepraten over de hoogte van de schadevergoeding. Dit uitgangspunt van het hof lijkt voorbij te gaan aan het belang dat een hypotheekhouder heeft bij de hoogte van de uit te keren vergoeding voor de zekerheid. Deze vergoeding wordt bepaald door de waarde van de zekerheid op de peildatum. Als er zich een situatie voordoet waardoor de waarde van een huis op de peildatum lager is dan de hypotheek, bijvoorbeeld omdat het onder water staat, blijft de hypotheekhouder zitten met een restschuld, terwijl zonder de onteigening de hypotheek zou voortduren en de positie van de hypotheekhouder sterker zou zijn geweest.

Afsluitend valt ook nog op dat het hof de onteigening van appartementsrechten lijkt uit te spreken, terwijl dit niet mogelijk is ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2013. De Onteigeningswet maakt onteigening van een afzonderlijk appartementsrecht niet mogelijk. Zie hierover het blogbericht ‘Onteigening van appartementsrechten’.

Tegen het vonnis is cassatieberoep ingesteld. To be continued…

Bron:

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6234

Deel dit artikel via