Terug naar overzicht
Kennis

Artikel 13 Wbb en het nemen van maatregelen om bodemverontreiniging te voorkomen

o2jSwfgDe rechtmatigheid van een onherroepelijk handhavingsbesluit kan niet aan de orde komen in de procedure tegen het besluit tot invordering van een op basis van dat handhavingsbesluit verbeurde dwangsom. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2015. Last onder dwangsom

Bij besluit van 5 juni 2013 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel handhavend opgetreden omdat volgens het college met de opslag van slib dat is gebaggerd uit het kanaal Almelo-de Haandrik is gehandeld in strijd met artikel 13 van de Wet bodembescherming en in strijd met een voorschrift uit de aan de baggeraar verleende omgevingsvergunning, waarin het aanbrengen van folie is voorgeschreven.

Het college heeft de baggeraar gelast om 1) maatregelen te nemen zodat geen slib in het baggerdepot ligt opgeslagen en 2) indien de opslag van het slib in het depot wordt voortgezet, een vloeistofdichte bodem beschermende folie onder de opslag van slib aan te brengen en te houden om verdere aantasting van de bodem te voorkomen.

Tegen het handhavingsbesluit is geen bezwaar gemaakt, waardoor het handhavingsbesluit onherroepelijk is geworden.

Besluit tot invordering dwangsom

Bij besluit van 11 december 2013 heeft het college besloten tot invordering van de dwangsom van € 250.000,00 ter zake van last 1. Dit besluit heeft het college bij besluit van 8 mei 2014 gehandhaafd.

Het betoog van de baggeraar dat het college niet bevoegd was het besluit van 8 mei 2014 te nemen faalt. De Afdeling oordeelt dat aan het handhavingsbesluit van 5 juni 2013 wat last 1 betreft de overtreding van artikel 13 Wbb ten grondslag ligt. De handhavingsbevoegdheid ter zake van deze overtreding ontleent het college aan artikel 95 lid 3 Wbb.

Volgens de Afdeling maakt de omstandigheid dat in het handhavingsbesluit bij last 1 is vermeld “(artikel 13 Wbb)”, niet dat de last is beperkt tot slib waarvan is vastgesteld dat het verontreinigd is. Het betoog van de baggeraar dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een dwangsom is verbeurd, omdat de last uitsluitend ziet op het niet langer opslaan van verontreinigd slib faalt dank ook.

De baggeraar betoogt tevens tevergeefs dat het college ten onrechte tot invordering van de dwangsom is overgegaan. Volgens haar is de last onduidelijk. Wat betreft de betogen van de baggeraar dat het college in andere gevallen niet handhavend heeft opgetreden ter zake van de opslag van slib zonder bodem beschermende folie en dat het onredelijk is dat de last zowel op verontreinigd slib ziet als op slib dat voldoet aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit, overweegt de Afdeling dat dit betoog ziet op de rechtmatigheid van het handhavingsbesluit en om die reden niet in de procedure aan de orde kan komen.

Het is de vraag hoe de uitspraak had geluid indien de rechtmatigheid van het handhavingsbesluit wel aan de orde was gekomen. Op grond van artikel 13 Wbb kunnen alleen maatregelen worden gevergd teneinde verontreiniging te voorkomen indien degene die bepaalde handelingen verricht weet of kan vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden aangetast of verontreinigd.

Bron: AbRvS 5 augustus 2015, nr. 201408355/1/A4

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door