Terug naar overzicht
Kennis

Handhaving uitvoering saneringsplan

olieDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 30 maart jl. uitspraak gewezen over de handhaving van de uitvoering van een saneringsplan, zoals bedoeld in artikel 39a Wet bodembescherming (Wbb).

Last onder dwangsom

Appellante heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op 4 december 2000 gemeld dat zij voornemens is twee gevallen van verontreiniging te saneren. Tezamen met de melding is een saneringsplan ingediend waarin staat dat het voornemen is om de saneringswerkzaamheden in oktober/november 2001 op te starten en dat deze werkzaamheden maximaal 9 maanden zouden duren. Het college heeft op 4 juni 2001 van rechtswege met dit besluit ingestemd. Bij brief van 7 september 2004 heeft het college appellante medegedeeld dat het akkoord gaat met het dan toe behaalde saneringsresultaat maar dat het de sanering niet als afgerond beschouwt, omdat de grondwatersanering overeenkomstig het saneringsplan nog moet worden uitgevoerd.

Omdat appellante de bodemsanering nog steeds niet had afgerond, heeft het college aan appellante bij besluit van 12 november 2013 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 39a Wbb. De begunstigingstermijn is vastgesteld op drie maanden en de dwangsom op een bedrag van € 20.000,- per maand dat appellante de sanering niet uitvoert overeenkomstig het saneringsplan, met een maximum van € 100.000,-.

Invorderingbesluiten

Bij besluit van 22 januari 2015 is besloten tot invordering van de door appellante verbeurde dwangsommen ter hoogte van € 100.000,-. Het in te vorderen bedrag is bij besluit van 8 oktober 2015 bijgesteld naar € 10.000,-.

Oordeel Afdeling

Het betoog van appellante dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de uitvoering van het saneringsplan omdat zij deze uitvoering contractueel heeft overgedragen aan een derde faalt. De Afdeling verwijst naar de memorie van toelichting op artikel 39a Wbb waarin staat dat de saneerder degene is die het saneringsplan heeft ingediend (TK 2003-2004, 29 462, nr. 3, p. 31). Nu vast staat dat het saneringsplan is ingediend namens appellante, dat door de derde geen nieuw saneringsplan is ingediend en dat ten tijde van belang niet was verzocht om de derde aan te merken als uitvoerder van de sanering, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling appellante terecht aangemerkt als degene tot wie de in artikel 39a Wbb neergelegde verplichting zich richt.

Ook het betoog van appellante dat de sanering van de bodem en het grondwater ten tijde van het nemen van het besluit van 12 november 2013 reeds was afgerond, faalt. Ten tijde van het nemen van de besluiten in primo en op bezwaar was er geen evaluatierapport van een op de locatie uitgevoerde grondwatersanering overgelegd. Daarnaast beschikte het college over rapporten waaruit volgt dat er nog een grondverontreiniging en grondwaterverontreiniging aanwezig was. De Afdeling is derhalve van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de sanering niet overeenkomstig het saneringsplan was uitgevoerd en voltooid en artikel 39a Wbb was overtreden.

Tot slot betoogt appellante dat het college ten onrechte niet geheel heeft afgezien van invordering van verbeurde dwangsommen, omdat er tussen alle betrokken partijen overeenstemming is bereikt over het alsnog uitvoeren en voltooien van de sanering. De derde aan wie de uitvoering van de saneringswerkzaamheden was opgedragen heeft tegen finale kwijting een bedrag van € 37.235,60 aan de gemeente Noordwijk betaald voor de nog uit te voeren sanering. Ook dit betoog faalt. De Afdeling oordeelt dat de omstandigheid dat nadien overeenstemming is bereikt over het beëindigen van de overtreding van artikel 39a Wbb door het (laten) uitvoeren van de sanering, het college er niet toe verplicht om alsnog af te zien van invordering.

Bron: AbRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:834.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door