Terug naar overzicht
Kennis

Nadere beperkingen aan teeltondersteunende voorzieningen

  •  · 
mLSZAPY Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" vastgesteld. Appellanten hebben hiertegen beroep ingesteld vanwege uiteenlopende redenen, de focus zal hier voornamelijk liggen op het beroep betreffende de teeltondersteunende voorzieningen.

Appellant richt zich tegen de omvang van het bouwvlak van het bedrijf in het plan. Zij betoogt dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de vergroting van het bouwvlak ruimtelijk aanvaardbaar is, in het bijzonder vanwege de nabijgelegen woonbestemmingen. Voorts richt ze zich tegen de mogelijkheid om op de aangrenzende gronden teeltondersteunende voorzieningen te realiseren. Volgens appellant is ten onrechte niet bepaald wat de maximale omvang daarvan mag zijn. Ook is de beperking in tijd, te weten het teeltseizoen, volgens haar te onbepaald.

De raad stelt ten aanzien van de toegestane teeltondersteunende voorzieningen dat er bewust voor is gekozen de omvang en de plaatsingsduur niet vast te leggen en heeft daarbij betrokken dat het teeltseizoen per gewas kan verschillen, afhankelijk is van de weersomstandigheden en dat de omvang afhankelijk is van het gewastype. Het is niet uitgesloten dat appellant wordt geconfronteerd met teeltondersteunende voorzieningen op korte afstand van haar perceel en dus heeft de raad volgens de Afdeling met de enkele stelling dat een nadere beperking aan de omvang en de plaatsingsduur niet mogelijk is, onvoldoende gemotiveerd dat de gekozen planregeling aanvaardbaar is. In hoeverre met de gekozen planregeling nog sprake is van tijdelijkheid van de teeltondersteunende voorziening, heeft de raad niet gemotiveerd, noch waarom aan het teeltseizoen geen maximale periode kan worden verbonden.

Ten aanzien van de omvang van deze teeltondersteunende voorzieningen, acht de Afdeling met het oog op de omliggende woonbestemmingen onvoldoende gemotiveerd dat geen maximum kan en dient te worden gesteld aan de oppervlakte van de teeltondersteunende voorzieningen. Daarbij heeft de raad ten onrechte niet onderkend dat nadere beperkingen kunnen worden gesteld aan de afstand die dient te worden aangehouden ten opzichte van aangrenzende bestemmingen, zoals in dit geval het perceel van appellant, dan wel ten opzichte van het desbetreffende agrarische bouwvlak. Gezien het voorgaande oordeelt de Afdeling dat het plan is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, zodat het beroep van appellant gegrond is.

Bron: ABRvS, 13 mei 2015, 201310447/1/R2. 

Deel dit artikel via