Terug naar overzicht
Kennis

Ook bij watervergunningen is de aanvrager geen belanghebbende wanneer aannemelijk is dat project niet kan worden verwezenlijkt

Een verzoeker om een vergunning wordt in beginsel verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op zijn aanvraag, tenzij aannemelijk is dat de activiteit waarvoor een vergunning is aangevraagd niet kan worden verwezenlijkt. Dan kan de verzoeker niet als belanghebbende worden aangemerkt en is het verzoek geen aanvraag. Een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 mei jl. maakt duidelijk dat dit uitgangspunt ook voor vergunningen op grond van de Waterwet geldt.

Waar ging de zaak over?

De minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft bij besluit aan de provincie Zeeland een watervergunning voor het project Buitendijkse Maatregelen Natuur Pakket Westerschelde verleend.

Het gaat om een vergunning als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Waterwet. De watervergunning is met toepassing van artikel 6.17, eerste en derde lid, van de Waterwet verleend. De aanvraag ziet, kort gezegd, op het aanleggen en behouden van drie strekdammen in de gemeente Reimerswaal.

De eigenaar van het buitendijkse perceel waarop twee van de drie strekdammen gaan worden gerealiseerd, kan zich niet vinden in het verstrekken van de watervergunning. Hij stelt namelijk dat de activiteit waarvoor de vergunning is verzocht niet kan worden verwezenlijkt, omdat daarvoor zijn toestemming nodig is. Appellant verwijst naar de jurisprudentie waarin is bepaald dat wanneer een activiteit waarvoor een vergunning is aangevraagd niet kan worden verwezenlijkt, de verzoeker in zo’n geval niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en het verzoek zelf dan ook geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

Het oordeel van de Afdeling De Afdeling oordeelt dat de hiervoor genoemde hoofdregel en de uitzondering hierop ook van toepassing is op de aanvraag van een watervergunning. Eerdere jurisprudentie zag, bijvoorbeeld, op het bouwen van een bouwwerk (AbRvS 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2717), het kappen van een boom (AbRvS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3326) en het verlenen van een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (AbRvS 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:198). Met deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing is op de watervergunningen op grond van de Waterwet. Ook bij een watervergunning geldt, kortom, dat een aanvrager geen belanghebbende is als de activiteit waar de aangevraagde vergunning niet kan worden verwezenlijkt.

Appellant heeft in deze zaak weinig aan die conclusie. Het feit dat hij geen toestemming heeft verleend (of zal verlenen) voor de uitvoering van het project maakt in dit geval namelijk niet dat het project geen doorgang kan vinden. De minister had namelijk in dit geval – op grond van de Wnb – de mogelijkheid een gedoogplicht op te leggen. Nu de eigenaar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het project niet kan worden verwezenlijkt is de aanvrager, provincie Zeeland, terecht als belanghebbende aangemerkt en was er dus gewoon sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb.

Lees hier de uitspraak over de watervergunning, AbRvS 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1094.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door