Terug naar overzicht
Kennis

Rechter zet streep door de Beleidsregel trillinghinder spoor

  •  · 
spoorrailsDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt in een tweetal uitspraken van 2 oktober 2013 dat de Beleidsregel trillinghinder spoor de noodzakelijke elementen mist om als beoordelingskader te kunnen dienen. Daarom mocht de minister de beleidsregel niet als uitgangspunt nemen bij beoordeling van trillinghinder als gevolg van de tracébesluiten 'Sporen in Arnhem 2012' en 'Sporen in Utrecht 2012 deeltracé Utrecht Centraal-Houten'.

Trillinghinder

Spoorwegen kunnen trillinghinder veroorzaken. Er bestaan geen wettelijke normen voor trillinghinder. In de praktijk wordt bij het beoordelen van trillinghinder voor personen in gebouwen als gevolg van railverkeer gebruik gemaakt van de  Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de Stichting Bouwresearch, deel B, Hinder voor personen in gebouwen. De SBR-richtlijn B is niet speciaal opgesteld met het oog op trillingen ten gevolge van railverkeer, maar kent wel een paragraaf die daarover bepalingen bevat. Aangezien de richtlijn niet op alle aspecten van trillinghinder ingaat en niet geschreven is voor tracébesluiten leverde toepassing van de richtlijn in de praktijk problemen op. Het leidde eerder tot vernietiging van de tracébesluiten 'Sporen in Utrecht’ en 'Sporen in Arnhem’ (zie AbRvS 20 juli 2011, nr. 200905214/1 en AbRvS 31 augustus 2011, nrs. 200904295/1 en 201009685/1). Dat was de reden waarom de minister de Beleidsregel trillinghinder spoor (Stcrt. 2012, nr. 7532) heeft opgesteld.

Beleidsregel trillinghinder spoor

In de Beleidsregel trillinghinder spoor (hierna: BTS) zijn streefwaarden voor de maximale trillingsterkte (Vmax) en grenswaarden voor de maximale trillingsterkte en de gemiddelde trillingsterkte (Vper) opgenomen. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in de functie van het gebouw, de dag-, avond- en nachtperiode en of het gaat om een bestaande of nieuwe situatie.

Bij beoordeling van trillinghinder als gevolg van de tracébesluiten 'Sporen in Arnhem 2012' en 'Sporen in Utrecht 2012 deeltracé Utrecht Centraal-Houten' heeft de minister de BTS gehanteerd.

De uitspraken

Omwonenden vrezen trillinghinder van de vernieuwde spoorwegtracés. Volgens hen wordt die hinder onderschat als gevolg van de nieuwe methode die de minister gebruikt om trillinghinder te berekenen en te beoordelen.

De door de Afdeling ingeschakelde deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, geeft de omwonenden gelijk. Volgens het deskundigenbericht wordt door de statistische bewerking op grond van de BTS, waarbij incidenten en twee procent van de hoogste waarden buiten de meetdata worden gelaten, de trillingbelasting vanwege het spoor onderschat.

De Afdeling volgt dit betoog. De in de bijlage bij de BTS opgenomen wijziging van de procedure voor de meettechnische bepaling van de waarde van de Vmax is naar het oordeel van de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, onvoldoende gemotiveerd. Hoewel het uitsluiten van incidenten - omstandigheden die op het betreffende baanvak twaalf keer per jaar of minder optreden - naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer onaanvaardbaar is, is deze incidentenregeling in de bijlage van de BTS te ruim geformuleerd. De in de bijlage genoemde omstandigheden; snelheid, voertuigtype, spoorgebruik, waaronder gegevens uit de dataset kunnen worden verwijderd, zijn niet gelimiteerd. Hierdoor is niet uitgesloten dat voor de onderscheiden omstandigheden incidenten uit de dataset worden verwijderd, indien elk ervan twaalf keer per jaar of minder optreedt.

Ten aanzien van het uitsluiten van de twee procent hoogste waarden overweegt de Afdeling dat, zoals ook in het deskundigenbericht is vermeld, in de BTS hiervoor geen milieutechnische of milieuhygiënische verantwoording is gegeven. Hierdoor is niet duidelijk wat het effect van het weglaten van die twee procent hoogste uitschieters voor de uiteindelijke waarde van de Vmax is en of de Vmax dan nog wel een representatief beeld geeft van de feitelijke trillingbelasting.

Wat betreft de bepaling van aanvaardbaar te achten trillinghinder acht de Afdeling de in de BTS gehanteerde streef- en grenswaarden, die ten dele overeenkomen met waarden in de SBR-richtlijn B, op zich zelf niet onaanvaardbaar. Dit geldt ook voor het hanteren van een voelbaarheidsfactor van dertig procent. De hinderkwalificaties uit bijlage V van de SBR-richtlijn B zijn in de BTS niet overgenomen. De BTS vermeldt evenmin een waarde boven welke trillingbelasting niet meer aanvaardbaar wordt geacht. Dit betekent dat indien zich een toename voordoet van meer dan dertig procent van de maximale trillingsterkte in de plansituatie ten opzichte van de bestaande situatie, de BTS geen limiet kent. De BTS mist derhalve noodzakelijke elementen om als beoordelingskader te kunnen dienen. Dit gemis klemt naar het oordeel van de Afdeling te meer nu op grond van artikel 9 van de BTS van de streef- en grenswaarden in de BTS kan worden afgeweken indien de minister op grond van een - in de BTS overigens niet uitgewerkte - doelmatigheidsbeoordeling van oordeel is dat geen doelmatige maatregelen te treffen zijn.

Gezien het vorenstaande heeft de minister voor de afweging van de toelaatbaarheid van de trillingsterkte en daarmee de vraag of de minister in zoverre een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang dat is gemoeid met de aanleg van het tracé dan aan het belang van appellanten niet in redelijkheid de BTS tot uitgangspunt kunnen nemen. Nu de minister ook op andere wijze geen inzicht heeft gegeven in de mate van trillinghinder die gepaard gaat met een representatief gebruik van de bij het bestreden besluit voorziene infrastructuur en op grond waarvan die trillinghinder aanvaardbaar kan worden geoordeeld, concludeert de Afdeling dat de tracébesluiten in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berusten op een deugdelijke motivering.

Voorzetten werkzaamheden en gebruik

De Afdeling heeft bepaald dat de werkzaamheden op het tracé Utrecht-Houten in de tussentijd mogen doorgaan. Ook mag het gebruik van het vernieuwde spoortracé in Arnhem worden voortgezet.

Bron: ABRvS 2 oktober 2013, nr. 201207300/1 (Arnhem) en nr. 201209786/1 (Utrecht-Houten)

Deel dit artikel via