Terug naar overzicht
Kennis

Toepassing ne bis in idem-beginsel bij bestuurlijke boete

Op 26 januari jl. heeft de rechtbank Oost-Brabant (hierna: rechtbank) een interessante uitspraak gedaan over de toepassing van het ne bis in idem-beginsel bij de oplegging van bestuurlijke boetes en de consequenties van schending van dit beginsel. De rechtbank oordeelt dat het opleggen van meerdere boetes aan één persoon voor dezelfde overtreding in strijd is met het ne bis in idem-beginsel, ook al wordt de persoon in verschillende hoedanigheden aangesproken als overtreder. Als er toch meerdere boetes zijn opgelegd, dan moet de laagste boete worden vernietigd, aldus de rechtbank.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 5:43 Awb kan een bestuursorgaan geen bestuurlijke boete opleggen indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding al eerder een bestuurlijke boete is opgelegd. Dit is het ne bis in idem-beginsel. De gedachte hierbij is dat niemand tweemaal mag worden gestraft voor dezelfde overtreding.

De bestuurlijke boete wijkt op dit punt af van de last onder bestuursdwang en last onder dwangsom. Als eerder een last is opgelegd en deze inmiddels is uitgewerkt, dan kan opnieuw een last worden opgelegd voor dezelfde overtreding. Het verschil tussen deze sancties is, kort gezegd, dat de bestuurlijke boete gericht is op het bestraffen van de overtreding (leedtoevoeging) en de last onder bestuursdwang/dwangsom gericht is op herstel.

Wat was er aan de hand?

Eind 2013 heeft de staatssecretaris van EZ (hierna: staatssecretaris) aan een aantal bedrijven en een natuurlijke persoon bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtredingen van de Meststoffenwet (hierna: Msw).

Door bedrijf 2 was gesjoemeld met vervoersbewijzen voor dierlijke meststoffen. Bedrijf 2 werd bestuurd door een Holding en de Holding werd bestuurd door bedrijf 1. Bedrijf 1 werd bestuurd door de natuurlijke persoon A. Daarnaast was A financieel bestuurder van bedrijf 2.

Volgens de staatssecretaris kon A in dit geval worden aangemerkt als medepleger en tevens als feitelijk leidinggevende aan de verboden gedragingen. Gelet hierop had de staatssecretaris aan A twee bestuurlijke boetes opgelegd.

A tekende tevergeefs bezwaar aan en stelde vervolgens beroep in. In beroep betoogt A dat het niet mogelijk is om aan haar in beide hoedanigheden een bestuurlijke boete op te leggen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank sluit zich aan bij het betoog van A. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aan A opgelegde boetes als respectievelijk medepleger en feitelijk leidinggever gebaseerd op exact dezelfde overtredingen. Dat betekent dat het de staatssecretaris niet vrijstond om A in beide hoedanigheden een boete op te leggen, aldus de rechtbank.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke van de twee bestuurlijke boetes moet worden vernietigd. In dat kader overweegt de rechtbank dat aansluiting moet worden gezocht bij het strafrechtelijke leerstuk van de “samenloop van strafbare feiten”, waarin geldt dat, indien een feit onder meer dan één strafbepaling valt, de strafbepaling wordt toegepast waarop de zwaarste straf is gesteld.

Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat de laagste boete, te weten de boete voor het medeplegen, vernietigd dient te worden. De boete voor het feitelijk leidinggeven blijft overeind.

Conclusie

Met deze uitspraak maakt de rechtbank eens te meer duidelijk dat een bestuursorgaan goed moet opletten als hij een bestuurlijke boete oplegt. Het is niet mogelijk om aan een persoon meerdere bestuurlijke boetes op te leggen voor één en dezelfde overtreding. Het feit dat de persoon in meerdere hoedanigheden als overtreder valt aan te merken doet daaraan niet af.

Bron: Rechtbank Oost-Brabant 26 januari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:359

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door