Terug naar overzicht
Kennis

Verjaring van verzoek om nadeelcompensatie

redlight 2De Afdeling heeft onlangs uitspraak gedaan over de verjaring van een verzoek om nadeelcompensatie, dat was ingediend door een exploitant van een raamprostitutiebedrijf.

Het gaat hier om de verjaring van een verzoek om nadeelcompensatie op grond van de Verordening nadeelcompensatie Arnhem 2011 (hierna: de verordening). Ingevolge artikel 8, eerste lid van de verordening kan het college de aanvraag afwijzen indien vijf jaren zijn verstreken na aanvang van de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden zowel met de schade als met het voor de schadeveroorzakende gebeurtenis verantwoordelijke bestuursorgaan, en in ieder geval na verloop van twintig jaren nadat de schade is veroorzaakt. Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan indien een aanvraag betrekking heeft op schade veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, de in het eerste lid genoemde termijn van vijf jaren niet aanvangt voordat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

In het onderhavige geval heeft appellant een exploitatievergunning aangevraagd voor een raamprostitutiebedrijf. Deze vergunningaanvraag is geweigerd. Appellant heeft desalniettemin de exploitatie van zijn raamprostitutiebedrijven doorgezet. Bij besluit van 14 juni 2004 heeft de burgemeester medegedeeld dat indien deze exploitatie niet zou worden gestaakt, bestuursdwang zou worden toegepast. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2005 in zaak nr. 200505218/1. Bij besluit van 13 juni 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2005 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

Op 4 maart 2013 heeft appellant een verzoek tot nadeelcompensatie ingediend vanwege het toepassen van bestuursdwang. Het college heeft dit afgewezen op grond van artikel 8 van de verordening. De Afdeling oordeelt dat de rechtmatigheid van het besluit van 14 juni 2004 vast staat met de voormelde uitspraak van de Afdeling van 23 november 2005. Een verzoek tot vergoeding van schade veroorzaakt door de sluiting van de bedrijven onder aanzegging van bestuursdwang kon vanaf dat tijdstip worden ingediend. De termijn, waarbinnen dat verzoek kon worden ingediend, is de dag na deze uitspraak aangevangen. Appellant kon, in ieder geval, vanaf de uitspraak van Afdeling van 23 november 2005 bekend zijn met de mogelijke schadelijke gevolgen van de sluiting van de bedrijven en met de mogelijkheid om een verzoek om vergoeding daarvan in te dienen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het indienen van het verzoek op 4 maart 2013 de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de verordening was verstreken. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat zijn aanspraak niet zou zijn verjaard omdat hij na het besluit van 13 juni 2006 met de gemeente onderhandelingen heeft gevoerd over de verplaatsing van de bedrijven, wat volgens appellant aangemerkt had moeten worden als stuitingshandelingen.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door