Terug naar overzicht
Kennis

Weigering vaststelling bestemmingsplan wegens zoönosen? Onderbouwing met voorwaardelijk geformuleerd GGD-advies niet voldoende

Zoönosen, met andere woorden infecties die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen, kunnen een risico voor de volksgezondheid vormen. Vooral in de meer landelijke gebieden waar agrarische bedrijven in de buurt van de bebouwde kom zijn gesitueerd. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan vormt het effect van een veehouderij op de volksgezondheid dan ook een mee te wegen belang. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wijst er in een uitspraak van 8 juli 2020 op dat de gemeenteraad bij de weigering tot vaststelling van een bestemmingsplan niet zomaar af mag gaan op een voorwaardelijk geformuleerd GGD-advies over zoönosen.

Waar ging de zaak over?

Een agrariër in de gemeente Landerd heeft het voornemen om zijn bedrijf uit te breiden en verzoekt de gemeente daarop een bestemmingsplan vast te stellen dat zijn voornemens planologisch vastlegt. Met dit bestemmingsplan zou het bouwvlak kunnen worden vergroot, de vorm ervan worden veranderd en ook maakt het de bouw van een vleeskalverenstal en de aanleg en verlenging van verschillende sleufsilo’s mogelijk.

De gemeenteraad weigert het bestemmingsplan echter vast te stellen. Dit uit voorzorg vanwege de mogelijke gezondheidsrisico’s die met de uitbreiding van de veehouderij gepaard kunnen gaan. De raad heeft daarbij in haar overweging betrokken dat de voorgestelde uitbreiding binnen 100 m van de bebouwde kom van Schaijk ligt. Zodoende acht de raad de toekomstige gezondheidsrisico’s voor omwonenden te groot. Daarnaast wijst de raad op een advies uit 2016, waarin de GGD Hart voor Brabant aangeeft dat wanneer in de toekomst nieuwe zoönosen opduiken of mutaties van ziekteverwekkers optreden, het aantal mensen dat hier potentieel aan blootgesteld kan worden door de geringe afstand erg hoog is.

Tegen de geweigerde vaststelling van het bestemmingsplan stelt de agrariër beroep in bij de Afdeling, waar hij aanvoert dat de motivering van het besluit van de raad niet voldoet. De door de raad gestelde risico’s van de bedrijfsuitbreiding voor de volksgezondheid bestaan volgens hem niet in de huidige situatie. Het gaat hier enkel om theoretische en mogelijk toekomstige omstandigheden. Het GGD-advies komt er juist op neer dat op dit moment geen volksgezondheidsrisico’s bestaan, mits bepaalde maatregelen in acht worden genomen. Zo overwoog de GGD dat de maatregel om gezondheidsrisico’s te beperken door binnen het bedrijf één diersoort bedrijfsmatig te houden voldoet aan de criteria van de Afdeling Infectieziektenbestrijding. Ook hygiënemaatregelen en een vast tweewekelijks bezoek van een vleeskalverendierenarts beoordeelt de GGD positief. Omdat de agrariër bereid is om aan die maatregelen te voldoen bestaat er volgens hem dan ook geen reden tot weigering het bestemmingsplan vast te stellen.

Oordeel Afdeling

De Afdeling stelt allereerst vast dat het effect van nabijgelegen veehouderijen op de volksgezondheid een mee te wegen belang is bij de vaststelling van een bestemmingsplan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet de raad onderzoeken of een plan niet zulke risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar verslechtert. De effecten van de veehouderij op de volksgezondheid mogen kortom worden meegewogen. Deze afweging dient echter wel zorgvuldig plaats te vinden. En aan die zorgvuldigheid is volgens de Afdeling niet voldaan. De raad heeft zijn besluit immers enkel gebaseerd op de constatering uit het GGD-advies over de mogelijke toekomstige risico’s van nieuwe zoönosen of mutaties van ziekteverwekkers. De Afdeling wijst erop dat uit het GGD-advies ook volgt dat de GGD voor de huidige situatie de voorgestelde wijziging met betrekking tot zoönose niet als onacceptabel bestempelt. Wel verbindt de GGD hieraan de voorwaarde dat de agrariër maatregelen uitvoert en adviezen opvolgt. Daartoe stelt de agrariër bereid te zijn.

Daarnaast heeft de GGD in zijn advies aangegeven dat hij niet alle aspecten over zoönosen heeft kunnen beoordelen, omdat niet alle stukken van de aanvraag bij de GGD bekend waren. Het gaat hier bijvoorbeeld om tekeningen van de stallen. Om die reden vindt de Afdeling dat de raad zijn besluit niet zonder meer op het GGD-advies had mogen baseren. De raad had moeten nagaan of de GGD over alle informatie beschikte die voor het advies nodig was. Was dit niet het geval, dan had de raad de agrariër de gelegenheid moeten bieden om de benodigde informatie over te leggen, zo oordeelt de Afdeling. Verder blijkt de raad de bevindingen uit het RIVM-onderzoek “Veehouderij en gezondheid omwonenden”, uitgebracht in 2016, niet in zijn besluit te hebben betrokken. Dit terwijl de GGD in zijn advies aanraadde om de resultaten van dit onderzoek af te wachten. Gelet op het voorgaande heeft de raad zonder nadere motivering een definitief afwijzend besluit gebaseerd op een GGD-advies dat in meerdere opzichten voorwaardelijk is geformuleerd. Het standpunt van de raad dat het bestemmingsplan niet kon worden vastgesteld omdat de risico’s voor de volksgezondheid te groot zijn, is daarom niet van een deugdelijke motivering voorzien. Het weigeringsbesluit moet wegens strijd met art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.

Relevantie voor de praktijk

Het effect van nabijgelegen veehouderijen op de volksgezondheid, bijvoorbeeld vanwege zoönosen, is een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De Afdeling vereist dat deze afweging op zorgvuldige wijze plaatsvindt. De weigering om een bestemmingsplan vast te stellen kan de raad echter niet zonder deugdelijke motivering baseren op een voorwaardelijk geformuleerd GGD-advies. Het onderbouwen van een weigering met slechts een constatering uit het GGD-advies over de mogelijke toekomstige risico’s van zoönosen, kan de toets van de Afdeling daarom niet doorstaan.

Raadpleeg hier de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. ECLI:NL:RVS:2020:1591.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door