Terug naar overzicht
Kennis

Uitspraak over correctie van het relativiteitsvereiste in het bestuursrecht

  •  · 

BoekenVandaag heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de vraag of een concurrent met een beroep op het gelijkheids- of het vertrouwensbeginsel kan bereiken dat de bestuursrechter alsnog een besluit toetst aan een norm die niet zijn belangen beoogt te beschermen. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend. Het zogenaamde relativiteitsvereiste in het bestuursrecht wordt hiermee gecorrigeerd. De Afdeling volgt met de uitspraak de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. Widdershoven.

Achtergrond

De Afdeling heeft in een zaak over het bestemmingsplan 'Blaloweg en Katwolderweg (voormalig Shell-terrein en omgeving)' van de gemeente Zwolle een conclusie gevraagd aan de staatsraad advocaat-generaal. Het bestemmingsplan maakt de komst van een Hornbach-bouwmarkt mogelijk in Zwolle. Onder meer Praxis was hiertegen in beroep gekomen. Volgens Praxis voldoet het bestemmingsplan niet aan de veiligheids- en milieunormen. De vraag was of Praxis een beroep kon doen op deze normen of dat het relativiteitsvereiste zich daartegen verzette. Dit vereiste betekent dat een bestuursrechter een overheidsbesluit niet mag toetsen aan een norm, als die norm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die daarop een beroep doet.

Correctie relativiteitsvereiste

Eerder (klik hier) zijn wij op dit blog al ingegaan op de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal over de correctie op het relativiteitsvereiste. In navolging van deze conclusie is de Afdeling van oordeel dat de toepassing van het relativiteitsvereiste gecorrigeerd moet worden bij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. In zo'n geval kan een concurrent dus bereiken dat de rechter toch beoordeelt of een norm is geschonden terwijl die norm niet geschreven is om zijn belangen te beschermen. Deze correctie op het relativiteitsvereiste in het bestuursrecht is geïnspireerd op de zogenoemde correctie Langemeijer die in het civiele recht al langer bestaat.

Vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel

In deze zaak heeft Praxis niet aannemelijk gemaakt dat bij haar concrete verwachtingen zijn gewekt dat zij zou worden beschermd door de normen waarop zij een beroep doet. Ook heeft zij niet gesteld dat zij in vergelijkbare gevallen aan normen moet voldoen die vergelijkbaar zijn aan de normen waarop zij in deze procedure een beroep doet. Daarom kan Praxis geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg hiervan heeft de Afdeling niet beoordeeld of de normen die de belangen van Praxis niet beschermen, in deze zaak geschonden zijn.

Bron: persbericht Raad van State 16 maart 2016; ABRvS woensdag 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732.

Deel dit artikel via