Terug naar overzicht
Kennis

Ook broei vereist CO2-emissierechten

Indien een kolenopslag voor een kolencentrale  in technisch verband staat met een installatie waarbinnen de activiteiten plaatsvinden zoals beschreven in de richtlijn Handel in broeikasgasemissierechten, dan behoort de opslag toe aan de installatie zodat deze richtlijn ook daarop van toepassing is. Bovendien dient een exploitant emissierechten te hebben voor de steenkolen die door broei verloren gaan gedurende de opslagperiode. Dat volgt uit een interessante uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 9 juni.

Inleiding

Afgelopen 9 juni heeft het Europees Hof van Justitie (hierna: het Hof) uitspraak gedaan naar aanleiding van twee prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling heeft de vragen gesteld in een procedure tussen de Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland EPZ NV (hierna: EPZ) en het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: NEA). De procedure betreft de vraag of  de broeikasgasemissie die als gevolg van broei bij de opslag van steenkool plaatsvindt, is toe te rekenen aan de installatie die met de opgeslagen kolen worden gestookt. De vraag is relevant omdat als deze positief wordt beantwoord, ook voor broei in kolen die gebruikt worden voor elektriciteitsproductie, emissierechten nodig zijn.

Europees recht

De Europeesrechtelijke achtergrond is gelegen in richtlijn 2003/87, op basis waarvan lidstaten ervoor dienen te zorgen dat exploitanten van bepaalde activiteiten een vergunning voor broeikasgasemissies hebben en de emissies van deze activiteiten bewaken en rapporteren. Aan de monitoring en rapportage is verder uitwerking gegeven in verordening 601/2012.

Feiten

EPZ exploiteert een kolencentrale. De kolen die daarvoor benodigd zijn liggen 800 meter verderop opgeslagen in een opslaglocatie, die door een openbare weg van de elektriciteitscentrale gescheiden wordt. De kolen liggen een half jaar tot een jaar opgeslagen voordat ze door middel van een transportband naar de centrale worden vervoerd. Daar worden de kolen vermalen tot poeder en in de installatie verbrand.

Bestreden besluit

NEA dient zorg te dragen voor de naleving van verordening 601/2012. Bij de uitwerking van het monitoringplan van de door EPZ geëxploiteerde installatie voor de periode van 2013-2020 was NEA van mening dat de steenkool die verloren gaat als gevolg van broei tijdens de opslagperiode, niet kon worden beschouwd als brandstof die de installatie verlaat in de zin van art. 27 lid 2 van verordening 601/2012. Dat is vervolgens vastgelegd in het monitoringsplan. Volgens NEA komt ook bij de opslag van steenkolen CO2 vrij. Dat heeft tot gevolg dat hiervoor emissierechten gekocht moeten worden.

EPZ heeft een wijziging verzocht van het monitoringsplan. NEA heeft dat bij besluit van 8 november 2013 geweigerd. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft NEA ongegrond verklaard. EPZ heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

Prejudiciële vragen

De Afdeling heeft twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof, namelijk (i) of een opslaglocatie voor de brandstof van de kolencentrale als hiervoor beschreven een "installatie" is in de zin van artikel 3, onder e) van richtlijn 2003/87, en (ii) of steenkool die verloren gaat door broei tijdens de opslag ervan op een locatie die deel uitmaakt van een "installatie" als hiervoor bedoeld, beschouwd moet worden als brandstof die deze installatie verlaat?

Ten aanzien van de eerste vraag herhaalt het Hof het criterium uit art. 3, onder e) van de richtlijn, namelijk dat het bij een "installatie" gaat om een vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage I bij die richtlijn genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.

Buiten kijf staat dat de kolencentrale als een "installatie" moet worden aangemerkt. Ten aanzien van de opslag van kolen oordeelt het Hof dit een rechtstreeks samenhangende activiteit is met de installatie, omdat de opgeslagen steenkool onontbeerlijk is voor de werking van de centrale. Daar komt nog bij dat er een technisch verband is tussen de opslag en de kolencentrale; dat wordt aanwezig geacht als de betrokken activiteit (de opslag) is geïntegreerd in het gezamenlijke technische proces van de activiteit van verbranding in de centrale. Ook het feit dat de kolen via een transportband tussen de opslag en de centrale worden vervoerd draagt hier aan bij. Niet relevant is dat er een openbare weg tussen is gelegen en de opslag 800 meter verwijderd ligt van de elektriciteitscentrale.

Ten aanzien van de tweede vraag gaat het om de interpretatie van het woordje “verlaten” in artikel 27, tweede lid, eerste alinea van de verordening waarin is bepaald dat de hoeveelheid brandstof die de installatie verlaat moet worden afgetrokken van de hoeveelheid brandstof die in diezelfde periode is gekocht. Het Hof concludeert dat zowel het woord “verlaat” (in tegenstelling tot “verloren gaat”) als de doelstelling van de verordening (namelijk monitoren van alle proces- en verbrandingsemissies) erop duiden dat de brandstof die verloren gaat door broei niet wordt beschouwd als brandstof die de installatie verlaat in de zin van artikel 27, lid 2, eerste alinea van de verordening. Dat heeft tot gevolg dat ook voor de steenkolen die verloren gaan door broei emissierechten moeten worden ingezet.

Voortzetting procedure bij de Afdeling

Nu het Hof de prejudiciële vragen heeft beantwoord, zal de Afdeling de behandeling van de zaak voortzetten en een definitieve uitspraak doen. Wat de consequentie is voor EPZ van de uitspraak van het Hof is nog niet aan te geven, maar aannemelijk is dat EPZ extra emissierechten nodig heeft en niet kan volstaan met de emissierechten die EPZ nodig heeft voor de enkele exploitatie van de elektriciteitscentrale.

Bronnen:

- Het arrest van het Europese Hof van Justitie van 9 juni 2016.

- De verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 1 april 2015 met zaaknummer 201404521/1.

- Zie ook de beantwoording van prejudiciële vragen van de Afdeling van het Europees Hof van Justitie van 28 april 2016 ten aanzien van de kosteloze toewijzing van emissierechten.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door