Terug naar overzicht
Kennis

Provincie Noord-Holland mocht vergunningen voor de bouw van windturbines in Amsterdams havengebied weigeren

  •  · 

Gedeputeerde staten hoefden geen vergunning te verlenen voor de bouw van 23 windturbines in het havengebied van Amsterdam. Dit blijkt uit een vijftal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 augustus 2017.

Wat was er aan de hand?Het Havenbedrijf Amsterdam en de coöperatie NDSM energie hebben in 2016 vergunningen aangevraagd voor het plaatsen van windturbines op vijf locaties in het Westelijk havengebied, het Oostelijk havengebied en bij het knooppunt Coenplein.

Gedeputeerde staten hebben op 15 november 2016 besloten om deze aangevraagde vergunningen te weigeren. Aan de weigeringsbesluiten ligt de overweging ten grondslag dat de aanvragen in strijd zijn met de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2016 (hierna: PRV). Hierin wordt het plaatsen van windturbines in een zogenoemd herstructureringsgebied - zoals het havengebied van Amsterdam - alleen onder strikte voorwaarden mogelijk gemaakt. Zo mag er alleen een nieuwe windturbine worden geplaatst al er ten minste twee andere windturbines op het grondgebied van de provincie zijn verwijderd. Ook moet er een overeenkomst worden overgelegd tussen de aanvrager van de nieuwe windturbine en de eigenaar van de ‘oude’ turbines, waaruit volgt dat laatstgenoemde turbines tijdig worden verwijderd.

Het Havenbedrijf Amsterdam en de coöperatie NDSM energie zijn het niet eens met de (motivering van de) weigering en stappen naar de Afdeling. Ook de gemeente Amsterdam gaat, als eigenaar van de gronden waarop de aangevraagde turbines zijn voorzien, in beroep tegen de weigeringsbesluiten. In beroep wordt aangevoerd dat de komst van de windturbines in het havengebied geen zaak is van de provincie, maar van de gemeente. De PRV zou in zoverre in strijd zijn met het beginsel van lokale autonomie en met artikel 4.1 Wro. Op grond van laatstgenoemd artikel is een provinciaal belang vereist voor het stellen van regels in een provinciale ruimtelijke verordening.

Verder wordt naar voren gebracht dat de voorwaarden die de provincie in de PRV stelt strenger zijn dan landelijke regels voor nieuwe windturbines en internationale regels, en daarmee dus in strijd zijn. In dit verband wordt onder meer gewezen op het gestelde in de Onteigeningswet, de planschaderegeling in de Wro,  de Elektriciteitswet 1998, de SMB-richtlijn, het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Dienstenrichtlijn.

Oordeel AfdelingDe Afdeling oordeelt dat de provincie de komst van de windturbines als haar eigen – provinciale – belang kan aanmerken, omdat die ‘door hun afmetingen en zichtbaarheid over grote afstand een impact op de ruimte in het landelijk gebied hebben’. De Afdeling bouwt hier voort op haar uitspraak van 20 augustus 2014 waarin zij overwoog dat provinciale staten zich in redelijkheid het belang van het behoud van de openheid van het landschap in Noord-Holland en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit daarvan als provinciaal belang kunnen aanmerken.

Volgens de Afdeling is de PRV ook verder niet in strijd met hogere regels. De beroepsgronden die appellanten hier naar voren brachten worden door de Afdeling systematisch en uitvoerig besproken en weerlegd. Nu de PRV volgens de Afdeling verder niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen bestaat er geen grond om de PRV buiten toepassing te laten. Slotsom is dat gedeputeerde staten de in de PRV opgenomen voorwaarden mochten hanteren bij het beoordelen van de aangevraagde vergunningen. Daarmee is terecht overgegaan tot weigering van de aangevraagde vergunningen.

Gevolgen voor de praktijk

De uitspraak is belangrijk voor de rechtspraktijk. Aangetoond wordt dat op provinciaal niveau duidelijke lijnen uitgezet mogen worden waarlangs een provincie de regie kan voeren én houden waar het gaat om het plaatsen van windparken. In rechte wordt getoetst of het beleid,  de regelgeving en de uitvoering goed gemotiveerd is en of de grens van een goede ruimtelijke ordening in acht is genomen. De provincie Noord-Holland heeft de toets in deze uitspraken doorstaan.

Bronnen: AbRvS 30 augustus 2017, nr. 201609961/1, AbRvS 30 augustus 2017, nr. 201609962/1, AbRvS 30 augustus 2017, nr. 201609963/1, AbRvS 30 augustus 2017, nr. 201609964/1 en AbRvS 30 augustus 2017, nr. 201700214/1.

Deel dit artikel via