Terug naar overzicht
Kennis

Verjaringstermijn voor planschade vangt aan de dag na het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit

De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 maart 2020 gaat over de uitleg van artikel 6.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De Afdeling buigt zich concreet over de vraag op welke dag de verjaringstermijn van vijf jaar uit artikel 6.1, vierde lid, van de Wro aanvangt. Uit de memorie van toelichting bij de Wro blijkt dat de verjaringstermijn in artikel 6.1, vierde lid, van de Wro is gebaseerd op artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6.1, vierde lid, van de Wro valt niet af te leiden dat een andere aanvang van de verjaringstermijn is beoogd dan in artikel 3:310 BW. De vijfjaarstermijn in planschadezaken vangt dan ook aan de dag na het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit.

Wat speelde er?

Op 13 maart 2018 hebben appellanten een aanvraag om tegemoetkoming in planschade bij het college van burgemeester en wethouders van Zundert ingediend. Appellanten stellen schade te hebben geleden door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Randweg Zundert. Dit bestemmingsplan is sinds 13 maart 2013 onherroepelijk. Het college wijst de aanvragen af omdat deze niet binnen de vijfjaarstermijn uit artikel 6.1, vierde lid, van de Wro zijn ingediend. Volgens het college begint deze termijn te lopen op de dag van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, in dit geval op 13 maart 2013. Dit betekent dat 12 maart 2018 de laatste dag was voor het indienen van een planschadeverzoek. De appellanten stellen echter dat zij hun aanvraag tijdig, namelijk op de laatste dag, hebben ingediend. De termijn begint namelijk pas te lopen de dag nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, aldus appellanten.

Hoe oordeelt de rechtbank?

De rechtbank onderschrijft het oordeel van het college. Artikel 6.1, vierde lid, van de Wro kan niet anders worden gelezen dan dat het daarin bedoelde moment de aanvang van de verjaringstermijn markeert. Uit de memorie van toelichting blijkt weliswaar dat de termijn van artikel 6.1, vierde lid, van de Wro is gebaseerd op artikel 3:310 BW, maar de tekst van het artikel is leidend voor de aanvang van de termijn. Bovendien is artikel 3:310 BW anders geformuleerd dan artikel 6.1, vierde lid, van de Wro. De rechtbank houdt vast aan de letterlijke tekst van artikel 6.1, vierde lid, van de Wro - de verjaringstermijn vangt aan op de dag waarop het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden.

Hoe oordeelt de Afdeling?

De Afdeling oordeelt anders. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.1, vierde lid, van de Wro valt niet af te leiden dat in die bepaling een andere termijn dan in artikel 3:310 BW beoogd is. Uit het eerste lid van dat artikel volgt dat: “een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag nadat de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden(…)”.

De Afdeling verwijst daarnaast naar het nog niet in werking getreden artikel 4:131 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is door de wetgever eveneens bepaald dat de verjaringstermijn pas begint te lopen op de volgende dag. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de bepaling aansluit bij artikel 3:310 BW. Tot slot wijst de Afdeling op haar eerdere uitspraak van 15 januari 2003 daarin is overwogen dat op een verzoek om vergoeding van planschade eerst inhoudelijk kan worden beslist na de dag van het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit en een dergelijk verzoek dus na deze dag moet worden ingediend. Ook daar valt uit af te leiden dat de dag na het onherroepelijk worden van het besluit de eerste dag van de vijfjaarstermijn is.

Gelet op het voorgaande concludeert de Afdeling in het onderhavige geval dat de termijn voor het indienen van een planschadeverzoek als gevolg van het bestemmingsplan is aangevangen op 14 maart 2013. Dit betekent dat appellanten tijdig om planschade hebben verzocht.

Wat kunt u met deze uitspraak?

In deze uitspraak geeft de Afdeling helderheid over de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 6.1, vierde lid, van de Wro. Daarnaast geeft de Afdeling alvast een doorkijkje naar de uitleg van de verjaringstermijn in het toekomstige artikel 4:131 van de Awb. De verjaringstermijn voor planschade vangt aan de dag na het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit. Opvallend aan deze uitspraak is het verschil in interpretatie tussen de Afdeling en rechtbank. De Afdeling interpreteert de verjaringstermijn uit artikel 6.1., vierde lid, van de Wro, anders dan de rechtbank, niet letterlijk naar de tekst van dit artikel maar kijkt uitdrukkelijk naar de totstandkomingsgeschiedenis.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door