Terug naar overzicht
Kennis

RES Handreiking 1.1. als handvat voor de regionale energietransitie

Het Nationaal Programma RES heeft onlangs een handreiking gepubliceerd, aan de hand waarvan de 30 RES-regio’s hun Regionale Energiestrategie kunnen vormgeven en vaststellen. In december 2018 verscheen al een Handreiking 1.0. De nu verschenen 1.1-versie is aangescherpt op basis van voortschrijdend inzicht na het Klimaatakkoord van eind juni 2019. Het document is primair bedoeld voor de ambtelijke en bestuurlijke vertegenwoordigers van de RES-regio’s, die aan of met een RES werken. Daarnaast is de handreiking er voor degenen die meewerken aan het opstellen van de RES: onder meer volksvertegenwoordigers, netbeheerders, maatschappelijke organisaties, energiecoöperaties en bedrijven. Wij belichten een aantal belangrijke uitgangspunten uit de omvangrijke handreiking. We gaan hier met name in op de borging van de RES in het beleid voor de fysieke leefomgeving en de in de handreiking opgenomen handvatten voor participatie.

Waarom een RES?

De energietransitie is ingezet om de CO2-uitstoot sterk te verminderen, met uiteindelijk doel de opwarming van de aarde te beteugelen. In het Klimaatakkoord geven het Rijk, de decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties samen invulling aan deze doelstelling.

De overgang naar volledig hernieuwbare energie zal een flinke weerslag hebben op onze fysieke leefomgeving. De beschikbare ruimte in Nederland is een schaars goed. Hoe passen we energieprojecten als windmolen- en zonneparken op een slimme manier in? Dit vereist dat we over de grenzen van buurtgemeenten heen kijken en de nodige vakkennis bij elkaar brengen. Om deze grootscheepse operatie te laten slagen is daarom maatwerk en samenwerking tussen een veelvoud aan partijen essentieel.

Dit is dan ook de reden dat overheden in het Interbestuurlijke Programma (februari 2018) hebben afgesproken een meerjarige programmatische nationale aanpak uit te werken middels landsdekkende regionale energiestrategieën (RES’sen). Daarvoor is Nederland verdeeld in 30 ‘energieregio’s’. Iedere regio kan met een eigen, unieke afweging gezamenlijk komen tot een RES, met daarin vastgelegd de ruimtelijke keuzes voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energie infrastructuur. Lees over de opzet van de RES ook onze eerder verschenen blogberichten.

Borging RES in beleid fysieke leefomgeving

De keuzes die regios’ maken in de RES, zullen ruimtelijk geborgd gaan worden via het omgevingsbeleid van gemeenten, provincies, Rijk en waterschappen. Dit omgevingsbeleid moet vervolgens worden vastgelegd in instrumenten van de Omgevingswet (nu nog Wet ruimtelijke ordening). De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om de fysieke leefomgeving meer in samenhang in te richten.

Aangezien in Nederland vrijwel iedere locatie al bestemd is, zijn ten behoeve van efficiënt en effectief ruimtegebruik in het Klimaatakkoord vier ruimtelijke principes vastgesteld, waarvan is afgesproken dat deze in de RES’en zullen worden meegenomen. In de handreiking zijn deze uitgangspunten voorzien van concrete voorbeelden.

1. Zuinig en zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik: het gebruiken van niet meer ruimte voor de energietransitie dan strikt noodzakelijk is, waarmee de impact voor landschap, natuur en landbouw zoveel mogelijk beperkt blijft.

Dit kan door uit te gaan van zoveel mogelijk clustering van de productie van duurzame energie in energielandschappen. Bijvoorbeeld door windmolens of zonneweides grootschalig op één plek bij elkaar te brengen. De ruimte langs wegen en waterkeringen leent zich hier goed voor. Het verdient overigens de voorkeur, zo benadrukt de handreiking, zon in eerste instantie zoveel mogelijk op daken en boerenschuren te realiseren. Deze voorkeursvolgorde is ontleend aan de ontwerp-Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

2. Combineren van de energieopgave en -investeringen met andere thema’s zoals woningbouw, de realisatie van bedrijventerreinen, verbetering van de bereikbaarheid en transitie in de landbouw.

Hierbij kunnen de regio’s denken aan het bijvoorbeeld combineren van vervanging van het riool of het groot onderhoud aan wegen, met de aanpassingen die een klimaatadaptieve omgeving vereist.

3. Vraag en aanbod zo dicht mogelijk bij elkaar.

Vanuit ruimtelijk perspectief geldt dat het gebruik van onder meer restwarmte vanuit de industrie en geothermie via warmtenetten voordelen kent. Met bijvoorbeeld restwarmte kunnen, via warmtenetten, hele wijken worden verwarmd. Hoewel de toepassing hiervan van veel (ruimtelijke) aspecten afhankelijk is, zoals de ligging van een woonwijk ten opzichte van een industriegebied van waaruit warmte kan worden aangeleverd, is beoogd voor de levering van restwarmte zo min mogelijk ruimte te gebruiken of de te gebruiken ruimte te combineren met ander gebruik zoals de plaatsing van windmolens. Daarom dienen alle opties te worden verkend en meegenomen en expliciet te worden afgewogen tegen andere opties voor warmtevoorziening.

4. Aansluiten bij gebiedsspecifieke kenmerken.

Iedere regio in Nederland is uniek en kansen en mogelijkheden in steden zijn anders dan in het landelijk gebied. De handreiking bevat dan ook de suggestie goed te bekijken hoe (grootschalig) zon en wind aan kunnen sluiten bij de landschappelijke kenmerken en de identiteit van het gebied, de natuur, het cultureel erfgoed, water en bodem.

Ruimtelijke analyse

Om te komen tot een ruimtelijk goed afgewogen RES kunnen de regio’s in eerste instantie kiezen voor een verkenning, om de (ruimtelijke) mogelijkheden voor de energietransitie vervolgens steeds concreter te maken. Om dat te kunnen doen is het belangrijk om vooraf inzicht te hebben in ten eerste het huidig energieverbruik (warmte, elektriciteit) in de regio. Zowel voor de gebouwde omgeving als voor de mobiliteit, industrie en landbouw. Een volgende stap is het nadenken over het mogelijk toekomstig energieverbruik. Zijn er plannen voor grote bedrijven, datacenters, grote woonwijken, elektrisch rijden? En welke innovaties zijn voorzien die mogelijk leiden tot minder energieverbruik, -transport of opslag? Op deze wijze kan de opgave verduidelijkt worden. Vervolgens is van belang bestaande en in ontwikkeling zijnde windmolen(-parken) en zonnepanelen/akkers in kaart te brengen, met aandacht voor systeemefficiency. Is het mogelijk bestaande windmolenparken te ‘repoweren’, met andere woorden de efficiëntie van installaties te vergroten? Bijvoorbeeld door de plaatsing van zuinigere onderdelen?

Logischerwijs kunnen partijen na deze stappen samen met relevante stakeholders nagaan welke mogelijke nieuwe warmtebronnen en locaties voor zon en wind op het netwerk kunnen. Bij het ontwikkelen van enkele scenario’s ontstaan zoekgebieden waar mogelijkheden worden gezien voor zon-, wind- en bodemenergie. Deze gebieden moeten vervolgens worden afgewogen tegen andere (conflicterende) ruimtelijke claims en belangen in de fysieke leefomgeving. En zo kan steeds concreter worden toegewerkt naar gedragen keuzes voor ruimtelijke inpassing. Tot op het moment dat echt van projectlocaties kan worden gesproken.

Hoe de ambities op het gebied van energietransitie en uiteindelijk concrete beleidsvoorstellen kunnen worden verankerd in instrumenten van de Omgevingswet, is nog een zoektocht. Op dit moment wordt daarom in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in de vorm van een aantal pilots ervaring opgedaan.

Participatie

Binnen het hierboven beschreven proces van ruimtelijke analyse is het nuttig het aspect draagvlak verder uit te lichten. Participatie kan bij het bereiken van draagvlak een belangrijke rol spelen.

Het Klimaatakkoord en de Omgevingswet benadrukken het belang van het op een vroeg moment betrekken van belanghebbenden, zodat zij zich vertegenwoordigd voelen in de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen die de komende jaren grote invloed zullen hebben op het leven van alle Nederlanders. Participatie kan al plaatsvinden in de fase van het ontwerpend onderzoek. Dit biedt de mogelijkheden om kansen die bewoners zien tijdig te inventariseren en na te gaan wat voor hen van belang is in het RES-proces. De primaire verantwoordelijkheid en de bevoegdheid van participatie ligt bij de regio.

De handreiking biedt regio’s inspiratie en handvatten voor het inrichten van een participatieproces in de RES-vorming. Waar het gaat om indirecte betrokkenheid, via volksvertegenwoordigers zoals raadsleden, Statenleden en Algemene Bestuursleden van waterschappen, kunnen zij de vormgeving en uitvoering van het participatietraject op twee manieren aanpakken: kaderstellend en volksvertegenwoordigend. Kaderstellend door bijvoorbeeld het schaalniveau en de te betrekken doelgroepen te bepalen. Volksvertegenwoordigend door hun oor te luister te leggen bij inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Onder meer door openbare (participatie)bijeenkomsten te organiseren of bij te wonen. Waar het gaat om meer directe vormen van participatie benadrukt de handleiding het belang van bewoners blijven informeren gedurende de hele energietransitie; over welke besluiten genomen worden en wat dit voor hen betekent. Hierbij dient helder en duidelijk gecommuniceerd te worden. Helder moet zijn hoe de inbreng van verschillende partijen en individuen wordt meegenomen, welke ruimte er bestaat om lokale afwegingen te maken en wat gedurende het proces de voortgang is. Per deelonderwerp en betrokken partijen kan het nuttig zijn participatie regionaal of juist lokaal te organiseren.

Tot slot

Binnen het Nationaal Programma RES zit men bepaald niet stil. En dat geldt ook voor de regio’s. Er gebeurt veel en met de Handreiking 1.1 ligt er een document waarvan verwacht mag worden dat het de RES-regio’s ondersteunt bij het in kaart brengen en vormgeven van de keuzes die moeten worden gemaakt vanwege de energietransitie.

Raadpleeg hier de volledige Handreiking 1.1 ten behoeve van de RES. Wanneer er weer nieuwe inzichten beschikbaar komen, worden die bekendgemaakt via www.regionale-energiestrategie.nl

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door