Terug naar overzicht
Kennis

Winningsvergunning voor aardwarmte: draagkrachtig motiveren

De Nederlandse ondergrond speelt een belangrijke rol bij de energietransitie. Diep in de bodem is warm water aanwezig dat is opgeslagen in (poreuze) zand- en gesteentelagen, ook wel aardwarmte of geothermie genoemd. Voor de winning van deze warmte worden twee putten op enige afstand van elkaar geboord, waarbij aan het water dat uit de ene punt omhoog wordt gepompt de warmte wordt onttrokken, en via de andere put het afgekoelde water terug in de ondergrond wordt geïnjecteerd. In dit blog bespreken we een interessante uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2022 waarin de onderbouwing van de vergunning voor geothermie door het bevoegd gezag aan bod komt.

Wat speelde in deze zaak?

Op grond van art. 6 lid 1 Mijnbouwwet is voor het winnen van aardwarmte een zogenaamde winningsvergunning verplicht. In januari 2013 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat aan twee bedrijven een winningsvergunning voor het gebied Honselersdijk in de gemeente Westland verleend. Daarbij heeft de minister een gebied van 3,27 km2 voor een periode van 30 jaar vergund. Green Well Westland B.V., waaraan de twee bedrijven de vergunning hebben overgedragen, kan zich hier om meerdere redenen niet in vinden. Zo zou het vergunde gebied te klein zijn. Er moet immers acht worden geslagen op het zogenaamde interferentierisico, met andere woorden het risico op onderlinge temperatuureffecten waarmee de winning van aardwarmte in aangrenzende winningsgebieden zou kunnen worden verstoord. Verder meent Green Well Westland dat de vergunde termijn van 30 jaar te kort is. Deze termijn leidt immers, zo wordt betoogd, tot financiële onzekerheid gezien de voor aardwarmte noodzakelijke investeringen. Ook zou de winning van aardwarmte in Honselersdijk, waarvoor in 2009 al een vergunning was verleend, veel langer mogelijk zijn.

De minister ziet in het bezwaar van Green Well Westland – en een door Green Well Westland zelf aangedragen deskundigenrapport –geen aanknopingspunten om een groter winningsgebied te vergunnen. Daarbij baseert de minister zich op het door Green Well Westland bestreden rapport van TNO waarin de tot nu toe bij eerdere winningsvergunningen ook toegepaste methode is gebruikt om de omvang van het winningsgebied vast te stellen.

Voor wat betreft de duur van de vergunning stelt de minister dat voor de vergunde winningstermijn is uitgegaan van de aangevraagde termijn, die immers bepalend is voor de inhoud en omvang van de te verlenen vergunning. De minister heeft verder toegelicht dat de richtlijn is een winningstermijn van 35 jaar te vergunnen en dit ook feitelijk zo is gebeurd.

Hoe oordeelt de rechtbank?

In dit betoog gaat de rechtbank slechts gedeeltelijk mee. Ten aanzien van de grootte van het winningsbied valt de rechter met de deur in huis. Er is geen reden waarom de minister het advies van TNO – en daarmee het gebruik van de de door TNO gehanteerde methode – niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen. Zo is het door Green Well Westland zelf aangevoerde rapport niet opgesteld door een geoloog, is het niet gebaseerd op eigen onderzoek of modellering en voorziet het niet in een objectieve en toetsbare onderbouwing. De aangedragen informatie is bovendien niet concreet genoeg om aan te tonen dat deze methode in deze zaak niet geschikt is om het winningsgebied te bepalen.

Verder ziet de rechtbank ook geen aanleiding om aan te nemen dat de wijze waarop het winningsgebied is begrensd zal leiden tot een risico op interferentie. De minister heeft immers op de zitting toegelicht dat het gebied verticaal is begrensd om de mogelijkheid open te houden om voor verschillende diepten een winningsvergunning te verlenen. De gedachte hierachter is het optimale gebruik van de ondergrond en daarmee het planmatig beheer van aardwarmte. Ook bevindt zich in de bodem een kleipakket van een kilometer dik, dat volgens de minister fungeert als buffer. Deze toelichting motiveert volgens de rechtbank voldoende hoe rekening is gehouden met het risico op interferentie. In de huidige situatie kan van interferentie bovendien nog geen sprake zijn omdat er nog geen winningsvergunning is verleend voor de grondlagen onder het winningsgebied.

Waar het gaat om de winningstermijn krijgt Green Well Westland wel gelijk. Nu in de aanvraag staat dat de winningsvergunning wordt aangevraagd voor een onbepaalde termijn, is het niet aannemelijk dat een winningstermijn van 30 jaar is aangevraagd. En dat de modellen van Green Well Westland slechts een winningsperiode van 30 jaar beslaan, doet daar niet aan af. Uit de aanvraag volgt bovendien dat Green Well Westland rekening houdt met een zogenoemde kortsluittijd van minimaal 30 jaar en dat ze verwacht dat de inrichting minimaal 30 jaar op volle capaciteit kan draaien. Het bestreden besluit berust wat betreft de winningstermijn daarmee dus niet op een draagkrachtige motivering, welk gebrek de minister moet herstellen.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:132.

Deel dit artikel via 

Deze publicatie is geschreven door